
ULTRACREPIDARIAAN
‘Opa,’ vroeg mijn achttienjarige kleinzoon me onlangs, ‘weet jij wat een ultracrepidariaan is?’ Hij sprak deze tongbreker ietwat hakkelend uit en moest het ettelijke keren herhalen, voordat ik erin slaagde hem min of meer bevredigend na te zeggen.
Hij stelde me die vraag niet om me bij een ontkennend antwoord met een triomfantelijke air te laten merken dat híj iets wist wat ik niét wist. Hij stelde hem eerder uit een soort verwondering. Een verwondering dat dergelijke woorden bestaan. En misschien ook wel uit nieuwsgierigheid óf ik het zou weten. Uiteindelijk weet ik niet alles, maar wel veel in zijn ogen, dus het zou zomaar kunnen… Gelukkig ben ik geen ultracrepidariaan – ik ben het zeker geweest in eerdere fases van mijn leven – en gaf dus zonder omwegen toe dat ik het voor het eerst in mijn leven hoorde. ‘Nee joh, nooit van gehoord! Wat is dat voor iemand?’
Ik luisterde geïnteresseerd naar hem, genietend van de omgekeerdheid van de situatie. Wat hij me uitlegde was slechts de betekenis van het woord. Maar dat was voldoende om me te prikkelen. Weer thuis, ging ik op zoek. Het verschijnsel ultracrepidarianisme blijkt een interessante ontstaansgeschiedenis te hebben. Ik kwam terecht bij Plinius de Oudere, die in Boek XXXV, 79-97 van zijn Naturalis Historia zowat een monografie aan de Griekse schilder Apelles wijdt. Plinius heeft daarin veel plaats ingeruimd voor anekdotes. Eéntje daarvan ligt aan de basis van dat bijna onuitspreekbare woord. Ik laat liever Plinius zelf aan het woord, door het Engels van de Loeb-uitgave te vertalen, dan dat ik er in mijn Nederlands een inadequate samenvatting van geef:
‘Een andere gewoonte van hem was om zijn voltooide werken in een galerij te plaatsen, in het zicht van voorbijgangers. Zelf bleef hij buiten het zicht achter het schilderij staan om te horen welke fouten er werden opgemerkt, aangezien hij het publiek als een scherpzinniger criticus dan hijzelf beschouwde. Zo zou een schoenmaker kritiek op hem hebben geuit, omdat hij bij het schilderen van iemands sandalen één lusje te weinig had weergegeven. De volgende dag was diezelfde criticus zó trots dat de kunstenaar de fout had hersteld naar aanleiding van zijn eerdere opmerking, dat hij vervolgens kritiek leverde op het been. Apelles kwam daarop verontwaardigd achter het schilderij vandaan en wees hem terecht met de woorden dat de kritiek van een schoenmaker zich niet verder moest uitstrekken dan de sandaal – een opmerking die ook spreekwoordelijk is geworden.’ (NH, XXXV, 84-85) Ne supra crepidam sutor iudicaret - Laat de schoenmaker niet oordelen over wat zijn sandaal te boven gaat. Dank zij Apelles die de woorden uitsprak en Plinius die ze opschreef, beschikken we vandaag de dag nog over een fantastisch spreekwoord.
Hiermee is de kous voor mij nog niet af. Dank zij mijn kleinzoon beschik ik nu over een term die de lading dekt van het gevoel van ontevredenheid waarmee ik al enige tijd rondloop. Ik vind het geen probleem dat mensen een mening hebben. Dat móet in een samenleving, dat hoort bij een democratie. Het probleem ontstaat wanneer deskundigheid wordt ingehaald door een overmaat aan zelfvertrouwen. Ik weet nu waarom ik niet meer kijk naar de kakelfonieën die we talkshows noemen. Ik ben afgehaakt op een moment dat bleek dat een expert die tijdens een talkshow zinnige opmerkingen maakte die betrekking hadden op zijn vakgebied, óók weer aanwezig was tijdens discussies die weinig tot niks met zijn vakgebied te maken hadden. Hij dankte zijn terugkeer dan niet zozeer aan zijn expertise, maar voornamelijk aan zijn welgebektheid, én dat hij televisiegeniek was. En als het bij één iemand bij telkens dezelfde show bleef, dan is zo’n vast tijdstip gemakkelijk te vermijden, maar ultracrepidarianen keren tot vervelens toe bij élk onderwerp terug. Er zijn steeds meer mensen die ik ook wel eens een keer niet wil horen en zien.
Ik luister sinds enige tijd wel met steeds meer aandacht naar mensen die zeggen: ‘Dat weet ik eigenlijk niet.’