top of page

Chris Mattison,

The Lives of Snakes. A Natural History of the World’s Snakes

Princeton University Press, Princeton and Oxford. ISBN 978-0691-25060-1. € 31,99

Slangenliefhebbers die ook van slangen in boeken houden, blijven toch maar verwend worden,

want opnieuw is er recent een prachtig slangenboek verschenen. Chris Mattison heeft een aantrekkelijke nieuwe titel toegevoegd aan zijn toch al indrukwekkende bibliografie: The Lives of Snakes. Het stevig gebonden, handzame formaat van het boek bevat tussen de twee kaften een schat aan informatie en een overdaad aan prachtige slangenfoto’s. Behalve de gebruikelijke inleiding waarin Mattison aandacht schenkt aan de identificatie, classificatie en verspreiding van slangen – met tussen de regels door een hele hoop interessante weetjes – heeft hij het boek ingedeeld in een beperkt aantal hoofdstukken die elk ettelijke paragrafen hebben. Het theoretische deel van zo’n hoofdstuk lardeert hij ter afsluiting met interessante

beschrijvingen van slangensoorten die illustratief zijn voor wat hij in dat hoofdstuk besproken heeft.

In het hoofdstuk ‘Vorm en functie’ behandelt de schrijver de anatomie van slangen, de dentale

eigenschappen, de huid en de beschubbing en gaat hij in op de kleurenpracht van sommige dieren, hun ‘versierselen’, zoals de ‘hoorntjes’ van Cerastes cerastes en andere slangen. Verder gaat hij uitgebreid in op de zintuiglijke uitrusting van slangen, iets wat mij maar blijft fascineren. In de paragraaf Tanden en Giftanden werd ik verrast door de beschrijving van het gebit van stilettoslangen (genus Atractaspis). Net als bij adders, kunnen die hun giftanden tegen het gehemelte klappen, maar zelfs met gesloten bek toch nog zijwaarts een steek of een beet uitdelen. Dat komt hun erg van pas in nauwe gangen en dito ondergrondse ruim tes van de zoogdieren en reptielen waarop ze jagen.

Mattison besteedt uitgebreid aandacht aan het principe van de convergente evolutie: het

ontwikkelen van dezelfde functies in niet-verwante taxonomische groepen. Hij illustreert dit

verschijnsel aan de hand van de boa Corallus caninus en de python Morelia viridis. Beide behoren

tot verschillende families en leven in ver van elkaar verwijderde gebieden. Niettemin lijken ze op elkaar, vertonen ze hetzelfde gedrag en verkleuren beide tijdens hun vroege groei van geel naar groen. Ze prefereren beide tropische regenwouden en prederen op vogels en hebben daartoe lange, gebogen tanden ontwikkeld voor een stevige greep.

 

Gonyosoma boulengeri is zo’n slang die apart behandeld wordt in dit hoofdstuk. Het is dan ook een opmerkelijke soort. In het Nederlands wordt hij neushoornrattenslang genoemd. De Engelse naam is “rhinoceros ratsnake”. Beide benamingen verwijzen naar het flexibele uitsteeksel op de neuspunt. Het doel van dit uitsteeksel is onbekend. Er zijn vermoedens dat het eenvoudigweg dient om de contouren van de slang ter camouflage te verstoren. Mattison weet nog te vermelden dat er in 2021 een zevende Gonyosoma-soort is ontdekt in Hainan, China, die daarom Gonyosoma hainanense is genoemd. Ook deze soort, die zich door kleine verschillen in kleur en kopschubben onderscheidt van Gonyosoma boulengeri, heeft een uitsteeksel op de neuspunt.

Het tweede hoofdstuk heeft Mattison gewijd aan Omgang met het Milieu. Interessant vond ik de paragraaf over temperatuur en waterbalans. In warme gebieden leven meer slangen dan in gematigder streken en de bewoners van de eerstgenoemde categorie schijnen het gemakkelijker te hebben om zich op te warmen dan die van de tweede. Toch is zo’n warm biotoop geen onverdeelde luxe, want er kunnen zich gevaren voordoen van oververhitting en watertekort. Mattison legt uit dat woestijnslangen die nooit water aantreffen in hun biotoop diverse strategieën hebben ont wikkeld om te overleven. Zo kunnen ze zich terugtrekken onder het zand, of rollen ze zich op om het blootgestelde oppervlak van hun lichaam te verkleinen. De geniaalste manier om waterverlies te voorkomen is de oplossing die sommige woestijnsoorten hanteren door met hun staart te ratelen of met hun schubben te raspen in plaats van te blazen of sissen; de laatste waarschuwingen gaan immers met vochtverlies gepaard. Waterbesparing kunnen ze ook nog realiseren door vaste feces te produceren, zonder al te veel vocht erin.

Zeeslangen hebben weer een ander probleem. Zij leven in zout water en prederen op zoute prooien en lopen daardoor het gevaar dat hun zoutbalans in gevaar komt. Zij hebben onder hun tong speciale klieren ontwikkeld die het overtollige zout uit hun bloed filteren. Iedere keer als de slang tongelt, wordt er geconcentreerd zout water uitgestoten. Dit weetje had ik nog niet eerder ergens gelezen! In gebieden waarin sprake is van grote temperatuurverschillen in de loop van het jaar kunnen slangen nachtactief zijn gedurende de warmste maanden, dagactief in de lente en herfst en non-actief tijdens de winter.

 

Mattison behandelt ter afsluiting van dit hoofdstuk negen soorten die alle gedrag vertonen dat in hoge mate bepaald wordt door het milieu waarin ze voorkomen. Ik kies uit de negen soorten waarmee de schrijver dit hoofdstuk afsluit Aspidites melanocephalus, de zwartkoppython om iets over te zeggen, want ik vond het interessant om te lezen dat deze soort geen externe warmtegroeven heeft, maar groeven ín de bek. Die bewijzen hun nut als de slang de bek opent tijdens de jacht. Doordat het merendeel van de prooien van de zwartkoppython niet uit warmbloedige dieren bestaat, is het ontbreken van externe warmtegroeven geen echt gemis.

Natuurlijk mag een hoofdstuk over voortplanting niet ontbreken. Mattison constateert dat van slangen die in seizoensgebonden gebie reden leven het voortplantingsgedrag het best is bestudeerd. Vooral in de tropen is dat veel minder het geval. Over gebieden met een korte periode van activiteit legt hij uit dat vooral vrouwtjes van levendbarende soorten vaak na een lange periode van drachtigheid gedurende welke ze gevast kunnen hebben, te zwak zijn om het jaar daarop opnieuw drachtig te worden. Dergelijke soorten zullen daarom pas na twee of zelfs drie jaar opnieuw drachtig worden. Spermaopslag kan dan een veilige backup zijn!

Waar een winterrust het voortplantingssysteem van slangen stimuleert, is die prikkel in tropische gebieden afwezig. Daar zijn het vaak het droge en natte seizoen die een stimulus kunnen zijn. Er zijn soorten die getriggerd worden door de relatieve temperatuurdaling aan het begin van een nat seizoen, maar andere soorten paren weer aan het begin van een droog seizoen, zodat de eieren of de jongen bij het aanbreken van het natte seizoen over overvloedig voedsel kunnen beschikken. Voor de verschillende soorten wordt dit alles medebepaald door de duur van de dracht en die van de droge en natte periodes.

 

Mattison maakt interessante opmerkingen over het verschil in grootte tussen mannetjes en vrouwtjes. Daar vrouwtjes veel hulpbronnen nodig hebben voor hun eieren of jongen, kunnen zij over het algemeen groter zijn dan mannetjes. Hoe groter, hoe meer nakomelingen. Mannetjes hoeven slechts sperma te produceren. Dit kost niet alleen veel minder ruimte, maar ook veel minder voedingsstoffen (hulpbronnen), waardoor mannetjes veel minder voedingsstoffen in hun lichaam voorradig hoeven te kunnen hebben en dus kleiner kunnen zijn. Echter, als van een slangensoort de mannetjes gevechten moeten leveren om het recht tot paren te verwerven, zijn zij vaak groter dan de vrouwtjes. Hierboven noemde ik al het verschijnsel dat vrouwtjes één of twee jaar overslaan met drachtig worden. In dat geval kunnen er te weinig vrouwtjes beschikbaar zijn voor de mannetjes, zodat de onderlinge competitie tussen hen zal toenemen.

 

Inmiddels zijn we in het vierde hoofdstuk aangeland: Dieet en Voedsel. Mattison’s indelingscriterium is de status van de prooi - ongewervelde en gewervelde prooien, reptielen, vogels, zoogdieren – het jaaggedrag en gif. Alle paragrafen heeft hij voorzien van mooie afbeeldingen, waarvan de indrukwekkendste wat mij betreft op pagina 171 staat: een Python sebae die een gazelle verorbert. Het is weliswaar een bekende foto, maar die blijft sensationeel. Uit andere bron heb ik begrepen dat de python, alvorens aan zijn maaltijd te beginnen, eerst met enkele kronkels het gewei van de gazelle had afgebroken!

Vijanden en Verdediging is het onderwerp van hoofdstuk 5. Vijanden heeft de slang meer dan

voldoende, zelfs onder zijn soortgenoten. Gelukkig hebben veel soorten verdedigingsmechanismes ontwikkeld, waarvan camouflage niet de minst belangrijke is. Mattison bespreekt ze alle min of meer uitvoerig. Veel nieuw heb ik er niet uitgehaald, maar het is praktisch om al die informatie duidelijk beschreven bij elkaar te hebben.

We naderen het einde van dit prachtige boek. Het is onvermijdelijk: natuurlijk kan een schrijver

over welk biologisch werk dan ook, niet lakkeloos voorbijgaan aan de relatie tussen mens en dier, of mens en natuur/milieu. Die tussen mens en slang is er in ieder geval eentje met grote problemen. Zeker in het christendom komt de slang maar niet van zijn slechte reputatie af. In veel andere culturen – en in vergleden tijden - is zijn rol soms veel positiever, ja bereikt hij een enkele keer zelfs een heilige status. Leuk om te lezen natuurlijk, maar het boek eindigt toch weer in mineur, want slangen zorgen momenteel op sommige plekken in de wereld voor bijna onoverkomelijke problemen. Zoals in Florida, in de Everglades, waar Python bivittatus voor een milieuramp aan het zorgen is. Of neem het bekende geval van Boiga irregularis die er op Guam voor gezorgd heeft dat er geen vogel meer leeft. En dat habitatvernietiging en -fragmentatie, het introduceren van invasieve andere diersoorten in een gebied (bijvoorbeeld de reuzenpad in Australië), verkeer (opzettelijke road kills in de Verenigde Staten), vooroordelen, exploitatie van slangen (huid, vlees, medicijnen) sommige soorten de rand van uitsterving doen naderen, hoeft geen betoog.

Ik heb een paar heerlijke uren met dit boek doorgebracht. Ik heb genoten van de prachtige  afbeeldingen en niet minder van Mattisons heldere en kernachtige manier van formuleren. Om naar uit te kijken bij de boekenstand van Chimaira op de eerstvolgende Slangendag!

Eerder gepubliceerd in Litteratura Serpentium 45(2) (2025), 131-136

bottom of page