top of page

Het complete koningspythonboek

Chris van Kalken, Het complete koningspythonboek. Uitgeverij Chris van Kalken. Huizen, 2024. ISBN: 978-90-9038014-8. 452 pagina’s.

 

Mijn fascinatie voor slangen dateert al van jonge leeftijd, al heeft het wel een twintigtal jaren geduurd, voordat ik ertoe overging om zelf slangen te gaan houden. Dat werden, helemaal conform de mores van de jaren tachtig van de vorige eeuw, de gebruikelijke slangen voor beginners, dus kousenbandslangen. Daar kon je niks fout mee doen. Kousenbandslangen hadden geen kapsones, je kon het terrarium sober en onderhoudsvriendelijk inrichten met desnoods kranten op de bodem; verstopplekje, waterbakje erbij, lampje erboven, iedere week wat spiering geven en dat was het. Als je dat een paar jaar zonder ongelukken voor de houder of de dieren had gedaan, kon je overwegen om op ‘serieuzere slangen’ over te stappen. Zo is het mij ook vergaan. De kousenbandslangen maakten plaats voor rattenslangen, de rattenslangen maakten plaats voor, eh, een koningspython?

 

Zo ver is het nooit gekomen, gelukkig maar, zowel voor mij als voor het arme dier dat bij mij terecht zou zijn gekomen. Tropische slangen, in het bijzonder koningspythons, blijken toch echt heel andere eisen aan hun baasje en hun leefomgeving te stellen dan de dieren ik tot dusver heb mogen verzorgen. De verleiding om toch toe te geven aan de aanschaf van een koningspython heb ik in de loop der jaren overigens bij elk bezoek aan de Slangendag sterk moeten onderdrukken. Ze zijn nog steeds mijn favoriete slangen en ik sta op de Slangendag het langst stil bij de tafels waarop zij zijn uitgestald.

 

Sinds kort weet ik waarom het zo verstandig is geweest om nooit aan koningspython te zijn begonnen. Dat besef drong beslissend door na het lezen van het boek van Chris van Kalken, dat schijnbaar nogal pretentieus Het complete koningspythonboek heet, maar dat naar mijn idee terecht aanspraak mag maken op die kwalificatie. Geen aspect van hun biologie, van hun behoeftes aan huisvesting, van hun voeding, hun kwetsbaarheden blijft onbesproken. Ik trof, zeer tot mijn genoegen, eindelijk een uitgebreide uitleg aan over al die mutanten waardoor koningspythons zo bekend, of misschien wel berucht zijn en waardoor het mij wel eens duizelt, als ik op de Slangendag langs een tafel met koningspythons loop.

 

Alleen al de inhoudsopgave telt bijna vijf pagina’s waarin tien hoofdstukken, een Nawoord, Bibliografie, Register, Mutantenlijst, Care sheet en Omrekentabellen, en honderdtwintig paragrafen staan vermeld. Enigszins op een vreemde plaats staan ná de inhoudsopgave een uitputtend overzicht van alle Tabellen, grafieken en Punnett-vierkanten, samen met een lijst van Afkortingen. Mijn keuze zou eerder zijn geweest deze onderdelen achter in het boek in een bijlage te plaatsen, maar allez, een kniesoor die hierover valt. Hoewel een Nawoord zich pas aandient als je het boek vrijwel uit hebt, wil ik er toch mee beginnen, want het maakt veel duidelijk over de intenties van de schrijver en de status van zijn huidige werk.

 

Chris van Kalken is al ettelijke jaren in de ban van koningspythons en heeft daarvan al vijftien jaar geleden getuigd door een eerste boek over zijn lievelingsdieren te schrijven. Hij geeft ruiterlijk toe, dat zijn toentertijdse enthousiasme hem enigszins blind had gemaakt voor het feit dat hij maar een beperkte ervaring had met slangen die toch echt wel wat meer nodig hebben dan een terrarium en een inrichting zoals ik dat hierboven beschreef. Hij maakte dan ook dankbaar gebruik van een herkansing voor zichzelf. Niet alleen had hij in de loop van die vijftien jaar ontzettend veel méér ervaring opgedaan met zijn koningspythons, maar heeft hij ook optimaal gebruik gemaakt alles wat nodig is om verantwoorde, wetenschappelijke uitspraken te kunnen doen. Dat werd dus jarenlang artikelen lezen, internetsites raadplegen, gesprekken met andere liefhebbers voeren en uit dat alles het boek destilleren dat zich ‘compleet’ mag noemen. Chris hoopt, dat zijn koningspythonboek 2.0 ertoe zal bijdragen dat er een substantiële verbetering zal plaatsvinden in het houden van de soort waaraan niet alleen hij zijn hart heeft verpand. Ik hoop dat mét hem, en weet intussen ook dat het uiterst onverstandig zou zijn om aan koningspythons te beginnen zonder het complete koningspythonboek van Chris van Kalen gelezen te hebben en permanent raadpleegbaar in de slangenkamer te hebben staan. Als je dan ook nog in ogenschouw neemt dat Chris het boek zelf heeft opgemaakt en uitgegeven, dan is een chapeau meer dan op zijn plaats.

 

Maar goed, zoals gewoonlijk begin ik, als ik een nieuw slangenboek in handen krijg, eerst met erdoorheen bladeren om een eerste indruk te krijgen. Wat opvalt, is het grote aantal foto’s van allerlei formaat: van paginagrote foto’s tot vijf op één pagina of zeven op een spread, en daar tussendoor nog tekeningen, tabellen, grafieken, Punett-vierkanten en afbeeldingen van noodzakelijke materialen of gereedschappen. Detailfoto’s zijn een visuele verduidelijking van de tekst en laten bijvoorbeeld duidelijk de spleetvormige pupil zien, of de pitorganen in de bovenlip. In het hoofdstuk dat over voortplanting gaat, maken foto’s duidelijk hoe een beschimmeld boob-ei er uitziet, of de navel, vlak na het uitkomen. Dat alles is uiterst educatief.

 

Het bijzondere aan dit boek is, dat het weliswaar is toegespitst op de koningspython, maar dat houders van andersoortige slangen er evenzeer hun voordeel mee kunnen doen. Ik geef een willekeurig voorbeeld. Op pagina 204 behandelt de schrijver voeren met levende prooidieren. Het zijn natuurlijk niet enkel de koningspythons die aangevreten kunnen worden door een niet verorberde rat of muis; elke willekeurige andere slang kan dat ook overkomen. Daarom is het advies om altijd in de buurt te blijven als je voert met levende prooien. Dan kun je zien of de slang daadwerkelijk de prooi eet. Doe je dat niet en kom je later eens kijken hoe het zit met de maaltijd, dan kan het lijken dat de slang gegeten heeft, maar kan het prooidier zich in werkelijkheid verstopt hebben en op een onbewaakt moment de slang aanvreten. Je moet een niet gegeten prooidier natuurlijk nooit in het terrarium achterlaten in de hoop dat de slang er alsnog werk van maakt, maar het vangen van een in paniek geraakte rat of muis kan veel stress opleveren bij de slang, waardoor die een tijdje voedsel zou kunnen weigeren. De slotzinnen van deze alinea luiden: ‘Bij jonge dieren komt het wel eens voor dat een levend voedseldier niet gewurgd wordt, maar levend gegeten. Dit is uiteraard een extreme vorm van dierenleed en aanleiding om direct over te gaan op het voeren van dode voedseldieren.’ Wat is deze opmerking mij uit het hart gegrepen, want voorliefde voor slangen mag natuurlijk niet tot veronachtzaming of mishandeling van andere dieren leiden!

 

Ik vermoed dat het vooral de hoofdstukken over de Voortplanting (hoofdstuk 9) en Ziekten (hoofdstuk 10) zijn waar de houders van koningspythons het meest aan zullen hebben. Gedetailleerd wordt beschreven wat er allemaal bij komt kijken, van het eetgedrag van vrouwtjes tot het palperen van de follikels. Een serie foto’s demonstreert de ovulatiecyclus van preovulatie tot postovulatievervelling; een andere serie laat de handelingen zien die je eventueel zou moeten kunnen verrichten, nadat de eieren zijn gelegd.

 

Hoofdstuk 10 dat over ziekten handelt, is cruciaal: als je na lezing van de 34 paragrafen nog steeds koningspythons wilt gaan houden, dan weet je tenminste waar je aan begint en wat je kunt verwachten.

Chris van Kalken beveelt een zorgvuldige aanschaf van koningspythons aan. Hij heeft het met zijn complete koningspythonboek mogelijk gemaakt om de relatie tussen houder en dier zo optimaal mogelijk maken tot wederzijds genoegen en een dito langdurig genieten. Je doet jezelf en je koningspython tekort, als je jezelf deze broodnodige, specifieke kennis ontzegt.

bottom of page