top of page

Rodger McPhail, The private life of Adders

 

Merlin Unwin Books. 2011. £ 14,99 (€ 20,99). ISBN: 978-1-906122-29-4

 

Schrijvers die over een bepaald onderwerp graag een boek of artikel willen schrijven, verdiepen zich uiteraard grondig in hun onderwerp, ordenen de hoeveelheid informatie, denken na over een pakkend begin en proberen zich al scheppend aan hun uitgangspunten te houden. De kers op de taart zouden dan de illustraties kunnen zijn.

 

Ik vermoed dat het boek van Rodger McPhail net andersom tot stand is gekomen. McPhail heeft, lijkt mij, gedurende jaren o.a. slangen, met name adders (Vipera berus) geobserveerd en gefotografeerd, en zodoende zó’n hoeveelheid materiaal verkregen, dat uitgave in boekvorm daarvan vanzelfsprekend was. Dat heeft in ieder geval een schitterend fotoboek opgeleverd.

 

Het 128 pagina’s tellende boek staat vol met unieke en prachtige kleurenfoto’s, waarvan een behoorlijk aantal paginagroot. McPhail boft dat hij in een regio woont waar Vipera berus nog talrijk is en waar de kans om deze dieren tegen te komen bovengemiddeld is. Hoewel de titel suggereert dat het boek uitsluitend over adders gaat, krijgen ook de ringslang (Natrix natrix), de gladde slang (Coronella austriaca) en de hazelworm (Anguis fragilis) enige aandacht in het begin. Vermoedelijk om het herpetologische plaatje voor Groot-Brittannië compleet te maken. Het aantal foto’s van deze dieren blijft echter tot een minimum beperkt en de begeleidende tekst is uiterst summier.

 

Ná dit aperitiefje barst McPhail in alle hevigheid los. In een aantal logisch gerangschikte hoofdstukken vertelt hij met vlotte pen over allerlei facetten van het adderleven. Zonder te pretenderen dat ik meer dan een bescheiden kennis van adders bezit, meen ik te mogen oordelen dat de gemiddelde adderkenner amper iets verrassends zal tegenkomen over rivaliteitsgevechten, zintuigen, jaaggedrag, paring etc. Ik heb niettemin enkele keren met interesse nota genomen van bijzonderheden die je alleen maar te horen kunt krijgen van iemand die uit eigen ervaring spreekt. Zo staat er op pagina 55 een tweetal foto’s van een adder die een muis verschalkt heeft. Het bijschrift maakt duidelijk, dat McPhail getuige is geweest van het feit dat de muis weliswaar gebeten was en aan het sterven was, maar niettemin kans had gezien zijn predator nog een knauw te geven. De adder heeft niet nóg eens gebeten, maar rustig gewacht tot zijn prooi echt gestorven was. Ook op pagina 65 begeleidt het bijschrift twee bijzondere foto’s. De schrijver verhaalt over copieuze maaltijden voor jonge adders, bestaande uit kikkertjes. Hij heeft geobserveerd dat kikkertjes die het juiste formaat voor een juveniele adder hebben, simpelweg naar binnen gewerkt worden. Wanneer de kikkers te groot worden, gaan de slangen hun gif gebruiken. Dat levert een foto op waarop is te zien dat een kikker bij zijn knie gebeten is, en waar het bijschrift als bijzonderheid aan toevoegt, dat de jonge adder, met de prooi in zijn bek, rustig heeft gewacht tot die apathisch genoeg was om verdere consumptie zonder al te veel tegenstribbelingen tot een goed einde te brengen.

 

Mijn grootste belangstelling voor de tekst is uitgegaan naar het hoofdstuk over adders in literatuur en folklore. Mijn beroep als Neerlandicus heeft me in de loop der jaren onvoldoende gelegenheid gegeven om nota te nemen van buitenlandse literatuur, dus vond ik het bijzonder verrijkend om bij McPhail te lezen dat er geen Engelstalige auteur is die in zijn werk meer aan slangen refereert dan William Shakespeare. Shakespeare noemt onjuiste bijzonderheden van slangen die in zijn tijd nog gemeengoed waren, maar waarvan heden ten dage de juiste toedracht wél bekend is. Bijvoorbeeld, dat het niét de tong van de slang is die steekt. Ook kwam ik dank zij dit hoofdstuk op het spoor van een lang gedicht van D.H. Law­rence, Snake, waarin hij verhaalt over een ontmoeting met wat vermoedelijk een Vipera aspis is geweest. Erg leuk vond ik het verder, om op pagina 89 Brusher Mills tegen te komen, de beroemde addervanger van New Forest, over wie Ron Bronckers geschreven heeft in Litteratura Serpentium (jaargang 28, pag. 54 t/m 60).

 

Het hoofdstuk over ‘Buren’ bevat voornamelijk foto’s van andere dieren dan adders, zoals hazen, vogels, patrijzen e.d., en is er, heb ik het idee, aan toegevoegd om het boek enige extra omvang te geven. De foto’s zijn mooi, maar ik zat er niet op te wachten.

 

McPhail staat als enige auteur op de titelpagina genoemd. Vier hoofdstukken zijn echter door anderen geschreven. Dat zijn hoofdstukken die uitstekend gepast zouden hebben als artikel in een herpetologisch tijdschrift als Litteratura Serpentium. Ook bij deze hoofdstukken kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze dienen om het boek meer omvang te geven. Dat laat onverlet dat ik die bijdragen met plezier gelezen heb.

 

Zo doen Sylvia Sheldon en Chris Bradley kort verslag van een onderzoek, waarbij ze gedurende acht jaar in het Wyre Forest, Worcestershire, adders hebben gevolgd. De onderzochte dieren, zo’n 92 stuks, bleken een unieke koptekening te hebben. Zo’n koptekening blijft het hele leven van de adder lang onveranderd. Getekende afbeeldingen van adderkoppen verduidelijken de details van de tekeningen.

 

John Baker gaat vervolgens uitvoerig in op de kenmerken die een adderhabitat gewoonlijk heeft of zou moeten hebben. De ingrepen die de mens in de natuur pleegt, leiden vaak tot vernietiging van habitats van niet alleen de adder. Doelgericht herstel van dergelijke natuurgebieden is dan ook een voorwaarde voor de instandhouding van adderpopulaties. Hij legt uit hoe dat in zijn werk kan gaan.

 

Jonathan Cranfield wijdt zijn bespreking aan de noodzaak om bepaalde dieren – zoals de adder – naar andere leefgebieden te brengen, als zij in hun oorspronkelijke biotoop bedreigd worden door de oprukkende mens. Hij behandelt uitvoerig de wijze waarop dit in Engeland gebeurt.

 

Chris Monk ten slotte, stelt zich de vraag of het aantal adders in Engeland, in het bijzonder in Midden-Engeland en in het Zuidoosten, aan het afnemen is. Op veel plekken waarvan in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw bekend was dat er adders huisden, bleken er nu geen meer te vinden te zijn. Monk doet uitvoerig verslag van allerlei projecten die tot doel hebben de adderaantallen te inventariseren, maar beantwoordt uiteindelijk de vraag die hij in de titel van zijn bijdrage stelt, niet.

Eerder gepubliceerd in Litteratura Serpentium 32 ( 2012), 59-63.

bottom of page