NEDERLAND LEEST

 

HARRY MULISCH, TWEE VROUWEN
 
■ Column, uitgesproken ter inleiding van de afsluiting van Nederland leest in de bibliotheek van Someren, november 2008.

Waarde boekenliefhebbers, 


Het moet voor Harry Mulisch even slikken zijn geweest, toen het Nobelcomité op 9 oktober jongstleden bekend maakte, dat niet hij, maar de Franse auteur Jean-Marie Gustave Le Clézio de Nobelprijs voor literatuur 2008 was toegekend. Mulisch heeft zich immers ettelijke jaren geleden, weliswaar met de hem bekende zelfironie, maar daarom nog niet onserieus, laten ontglippen, dat hij zichzelf wel in het rijtje van Nobelprijswinnaars voor literatuur zag staan. 'Ik ben nu eenmaal een groot schrijver, daar helpt geen moedertje lief aan,' liet hij het Nederlandse volk in een ander verband trots weten. Tja, hoe prestigieus het dan ook is om geselecteerd te worden als Nederland-leest--auteur, zoiets blijft een pleister op een houten been. Waar hem anders nóg meer internationale faam ten deel zou zijn gevallen, waar anders talloze herdrukken van vertalingen en nieuwe vertalingen zouden hebben plaatsgevonden, waar anders in razend tempo al zijn werk in het Nederlands herdrukt zou zijn, waar hij een dagtaak ge-regen zou hebben om alle talkshows af te gaan waar hij telkens originele varian-ten zou moeten verzinnen van obligate antwoorden op even voordehandliggen-de vragen, waar hij als grote Eén anders nóg hoger de literaire hemel in zou zijn gestoken  – daar is het nu slechts gebleven bij een oplagetje van net ‘n miljoen weggeefboeken in dat kleine taalgebied dat het Nederlands nu eenmaal vormt. Je zou er moedeloos van worden. Er zit voor Mulisch niks anders op als stug blij-ven doorademen, in de hoop dat hem uiteindelijk het recht ten deel zal vallen dat hem zijns inziens toekomt. Er bestaat nog steeds een kans, dat het hem wél bij leven en welzijn zal gebeuren, waar zijn reeds overleden concurrenten Hermans, Claus en Reve – ook allen genomineerd voor het hoogst bereikbare in de literatuur – definitief achter het net vissen. Wat zou het overigens bijzonder zijn geweest, als we vanavond een werk uit het oeuvre van een Nobelprijs-winnaar hadden kunnen bespreken. We zouden dat met meer trots op Neder-land, meer gretigheid gedaan heb­ben. Nu gaan we het hebben over een geda-teerd boek van een loser… 

Het is 1975 als Twee vrouwen verschijnt, de zesde roman in wat toen al een stevig oeuvre van Mulisch was. Het werk wordt meteen als meesterwerk her-kend. In ieder geval door vrijwel alle mannelijke critici. En, zoals in die tijd te verwachten, wordt het mopperend en veronge­lijkt bekritiseerd door recensenten uit het feministische blok, die vinden dat Mulisch met zijn vingers van typisch vrouwelijke gevoelens moet afblijven. Wat weet die notoire vrouwenversierder nu af van lesbi­sche relaties! Niettemin vinden gedurende de eerste maand van verschijning maar liefst 17.000 exemplaren hun weg naar een koper. Het gratis exemplaar dat de bibliotheek u als lid heeft geschonken, is er één van de 26ste druk. De getallen spreken voor zich. En ik doe daar nog wat andere getallen bij. Onlangs heb ik de naam ‘Harry Mulisch’ bij Google ingetikt. Circa 365.000 treffers leverde dat op. De naam van de schrijver, aangevuld met de titel van het boek gaf circa 85.600 treffers. Hoewel Mulisch deze getallen mogelijk nog aan de magere kant zal vinden, een aspirant-Nobelprijswinnaar onwaardig, maakten ze mij enigszins wanhopig, omdat ik vermoed dat u ter voorbereiding van deze bijeenkomst er enkele duizenden van geraadpleegd zult hebben. En ik wil u nu niets laten horen van wat u mogelijk al op al die Internetpagina’s hebt gelezen. Ik heb dan ook maar besloten u te vergasten op enkele persoonlijke ervaringen met Twee vrouwen.  

En laat ik het maar meteen eerlijk bekennen: het boek kon me tijdens de eerste lezing in 1976 absoluut niet boeien, ook al nam ik de tekst tot mij uit een door de auteur gesigneerd exemplaar. Mulisch was in dat jaar, in 1976 dus, op uitnodi-ging van de inmiddels verdwenen boekhandel Belle in Helmond in het kader van de boekenweek te gast in het dr. Knippenbergcollege. Tij­dens zijn lezing sprak hij ook over Twee vrouwen, maar ik beken dat ik me alleen dát herinner, maar niet wát hij er toen over heeft gezegd. In ieder geval heeft het samenspel van de ontmoeting met de grote schrijver toen en het lezen van Twee vrouwen kort erna niet tot een bijzondere appreciatie van het onderwerp van vanavond geleid. Ik was, vermoed ik, toentertijd te intensief bezig met leraar Nederlands worden. Daarom is het goed, dat de organisatie van Nederland leest dit jaar voor Mulisch zijn zesde roman heeft gekozen. Dan kom je aan herlezen toe. Zodoende kan ik mijn negatieve oordeel van weleer nog eens onder de loep leggen en misschien tot een heroverweging komen.  

U hoorde me eerder sneren over een ‘gedateerd boek van een loser’. Ik hoop dat de ironie ervan u niet is ontgaan. Het in korte tijd twee maal herlezen van dit prachtige werkje heeft me veel plezier verschaft en heeft me m’n jeugdig oordeel doen herzien. Maar er heeft zich iets pikants bij voorgedaan dat ik u niet wil onthouden. Enige tijd geleden heeft Maria Vermeer flink wat dozen met Twee vrouwen op het Varendonck-College afgegeven. De gratis exemplaren waren bestemd voor onze vierdejaarsleerlingen van VWO en HAVO. Als zich op school een gelegenheid voordoet om op een positieve manier aan mijn status en populariteit bij de leerlingen te werken, neem ik die graag te baat. Dus heb ik de distributie van de cadeautjes zoveel mogelijk zelf ter hand genomen. Ik had dat echter beter aan een jonge collega met een tijdelijke aanstelling kunnen over-laten, want ik kreeg al gauw in de gaten, dat mijn status en populariteit meer gewonnen zouden hebben als ik marsen en zakjes doritos had uitgedeeld. Maar goed, onze vierdejaarsleerlingen kregen een literair cadeautje. Dus hebben mijn collega’s en ik er iets over gezegd. Iets over Nederland leest, iets over de voor vijftien- en zestienjarigen ingewikkelde structuur van Twee vrouwen, iets over de opvattingen over homoseksualiteit in de jaren zeventig van de vorige eeuw, een ietsiepietsie over de mythe van Orpheus en Eurydice – voor VWO’ers iets aansprekender dan voor Havisten, iets over Mulisch. En nou aan het lezen, mannen! Het mag op de lijst. Dus togen de mannen en ook de vrouwen – die vreemd genoeg niet protesteren bij zo’n vrouwonvriendelijke aansporing - aan het werk. En ik heb de eerste resultaten al binnen. En nu komt het pikante: ik moet het eerste positieve oordeel nog binnenkrijgen. De mannen vechten zich, daarbij geholpen door de redelijk korte hoofdstukken, naar het bittere einde en blijven daarna verdwaasd zitten kijken. Wat een zonde van de tijd. Ook de vrou-wen ontberen het inlevingsvermogen om tot een weloverwogen oordeel over de wederwaardigheden van Laura en Sylvia te komen. Ik hoor een echo van mijn eigen kritiek van jaren her. Toch is Twee vrouwen mooi, zo niet prachtig. Heb-ben mijn collega’s en ik, en de Neerlandici in de rest van Nederland, op instigatie van Nederland leest en met toestemming van het ministerie van Onderwijs, ons schuldig gemaakt aan kindermishandeling? Je zou het haast denken. 

Nederland leest heeft me – het begint traditie te worden – in de nadagen van mijn onderwijscarrière geconfronteerd met iets wat al tijden een probleem is, maar waarvan de omvang en de consequenties de laatste jaren steeds zicht-baarder aan het worden zijn. Is het nog zinvol om van onze pubers en adoles-centen te verlangen dat ze zich bezig houden met wat wij literatuur vinden? Ze kunnen in de aan literatuur te besteden tijd ook geld verdienen met vakken vullen en caissière spelen. Beleidsmakers stellen steeds minder zuivere onder-wijstijd beschikbaar die steeds competentiegerichter gevuld moet worden en binnen die mindere tijd wordt het aandeel van literatuur steeds kleiner. En als je moet woekeren met je onderwijstijd Nederlands, dan zijn er bij dat belangrijke vak onderdelen waar onze maatschappij heel wat meer aan heeft, als de toe-komstige werknemers daarin stevig doorkneed worden. Hoe kun je leerlingen van zo’n boeiende, ontvankelijke leeftijd, in alles het product van hun tijd, de vele merites van literatuur duidelijk maken, als dat zo onleuk en schijnbaar nutteloos voor ze is? Waarom de hele handel niet overboord gegooid?  

Nou, dat zal ik even uitleggen. Het gaat er niet om dat literatuur leuk moet zijn. Wat is er nou leuk aan wiskunde? Aan scheikunde? Aan maatschappijleer? Aan school? Al deze retorische vragen wijzen naar feit, dat onderwijsinstellingen zoals het Varendonck-College er een is, leerlingen moeten afleveren die op z’n minst kennis hebben gemaakt met disciplines waarvan in vergleden tijden al bevonden is, dat die een conditio sine qua non zijn om tot een beschaafde, evenwichtige en hoogstaande samenleving te komen. Ook een moderne tijd heeft behoefte aan verworvenheden die uit oudere tijdlagen komen. Hoe moderner, hoe noodzakelijker, zou je zelfs kunnen zeggen. Daarom was ik zo blij, om in Twee vrouwen behalve twee vrouwen ook de lofrede van Annejet van der Zijl tegen te komen. Ongetwijfeld hebt u die gelezen. Dan bent u haar parafrase van een uitspraak van Tolkien ook tegengekomen. Alles wat je leest vergaat in je geest tot een soort humus, een voedingsbodem waarop nieuwe dingen kunnen groeien. Ik heb dat prachtige beeld gelezen en herlezen. Geweldig. Beter kan het niet gezegd worden. En dat geldt mutatis mutandis voor films, theater-voorstellingen, concerten, museumbezoeken, vakanties, een potje scrabble, in een café een boom opzetten over Obama en dat alles samen. Docenten moeten, als waren zij tuinders, hun leerlingen helpen bij het composteren van alle in-tellectuele voedingsmiddelen, nadat die hun directe diensten bewezen hebben: een voldoende halen voor een proefwerk, een leuke spreekbeurt houden over Twee vrouwen van Harry Mulisch, de stelling van Pythagoras uitleggen. Dat hoeft niet per se op een leuke manier, maar het is wel meegenomen als het zo kan. En zo kan het!  

Dus heb ik in tweede instantie mijn vierdeklassers het volgende, echt gebeurde voorval verteld als opwarmertje voor een mogelijk positievere herlezing van Twee vrouwen. Het succes van Twee vrouwen bleek indertijd niet alleen uit de verkoopcijfers, maar ook uit het feit dat George Sluizer het al snel na ver-schijnen verfilmd heeft. Niet al te lang na de première deed de film Helmond aan. De toentertijdse vakgroep Nederlands bood de leerlingen die dat wilden aan om met groepskorting en in door school gesubsidieerd vervoer een bezoekje te brengen aan bioscoop Centraal. Zo gezegd, zo gedaan. Daags daarna werd een van mijn collega’s opgebeld door een boze vader. Diens dochter moet thuis in geuren en kleuren verteld hebben waar de film over ging en hoe expliciet de beelden soms waren, want de boze vader verweet mijn collega dat hij zijn dochter had meegenomen naar een film over potten en blote wijven. Toen mijn collega vroeg met wie hij de eer had, werd hij niet wijzer gemaakt. De boze beller herhaalde wel de blote wijven… Mijn collega maakte een einde aan het gesprek, door iets te zeggen in de geest van: ‘Wel meneer, ik heb de indruk, als ik u zo over blote wijven hoor praten, dat u het spijtig vindt dat u er zelf niet bij bent geweest, maar als u niet zegt wie u bent, voel ik me niet geroepen u verder te woord te staan.’ En hij hing op. 

Dit is niet zo maar een voorval. Het illustreert de mentaliteitsverandering die er in de loop van ruim dertig jaar heeft plaatsgevonden en waarin Twee vrou-wen hoogstwaarschijnlijk een katalytisch aandeel heeft gehad. Ik acht het on-waarschijnlijk, dat er vandaag de dag een vergelijkbaar telefoontje naar school zou komen naar aanleiding van dezelfde film. Uiteindelijk laten we onze kin-deren de hele dag door naar het indoctrinerende en aanstootgevende MTV kijken.  En was Jerry Springer nog niet zo heel lang geleden ’s avonds op een commerciële zender in al zijn vunzigheid te bekijken op een tijdstip dat op Ne-derland 1 Sesamstraat nog aan de gang was. Je hoeft niet gelukkig te zijn met moderne ontwikkelingen, maar naarmate er meer voedingsstoffen in je sub-straat zitten, kun je je er weloverwogener een oordeel over vellen. Nederland is het eerste land ter wereld geweest waar homo’s kunnen trouwen, het eerste land ter wereld waar ze kinderen mogen adopteren. Wie dit geen vooruitgang vindt, mag dat natuurlijk vinden, maar dient zich tevens te realiseren wat er in minder verlichte landen als Nederland met homo’s gebeurt. Verbeten blijven hangen in voor- en andere oordelen is in ieder geval helemaal géén vooruitgang. Het is overigens wel ironie van de bovenste plank, dat de rechtvaardiging van homo-haat gebeurt op instigatie van literatuur van een speciale orde, namelijk reli-gieuze literatuur.  

Goed, mijn vierdeklassers hebben geïnteresseerd naar mijn uitleg geluisterd en zijn Twee vrouwen misschien een beetje met andere ogen gaan bekijken. Mis-schien dat een enkeling het herleest. Misschien dat ik nog gelegenheid krijg om uitvoerigere opmerkingen te maken over de wijze waarop de mythe van Orpheus en Eurydice verweven zit in de roman. Misschien dat ik kans zie om binnenkort nog eens te praten over de verhaalniveaus die herkenbaar zijn in goede lite-ratuur. Misschien dat ik de knipoogjes waarmee Mulisch sommige bladzijden lardeert, nog eens kan uitleggen. Hoop doet leven, nietwaar!  

Wel dames en heren, het is toch nog een heel verhaal geworden. En dat, terwijl ik steeds zenuwachtiger werd naarmate 13 november naderde en ik nog niks had. Maar toen ik mijn composthoop eens flink omroerde, kwam alles wat ik u nu heb laten horen spontaan, zij het in ruwe vorm tevoorschijn. Laten we onder de deskundige leiding van Bert Bijnen nu maar eens overgaan tot het snoeien, bemesten en dieven van Twee vrouwen. Dank voor uw aandacht.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now