STRATEGO MET SLANGEN
 

Motto
‘De stichter van het Museum vond korte tijd later de dood door een slangenbeet. Sommigen beweren dat het reptiel zijn kamer niet uit eigen beweging binnendrong...’
Jean-Pierre Luminet, De bibliotheek van Alexandrië, pagina 66.


Inleiding
In De Volkskrant van 27 oktober 1998 trof ik het volgende bericht aan: 
Het Iraakse dagblad Babil heeft Israël ervan beschuldigd krokodil-leneierren te hebben geplaatst in twee meren in Noord-Irak. Volg-ens de krant had Israël daarvoor al 'grote hoeveelheden cobra's' los-gelaten in de buurt van Iraakse strijdkrachten in het noorden. Etc. 


Als het bericht waar is - van Israelische zijde werd de aantijging heftig ontkend - dan sluiten de aartsvijanden van de Iraki's met de strategische inzet van giftige slangen aan bij een eeuwenlange traditie. Van oudsher hebben legers immers geplande en ongeplan-de hinder ondervonden van de herpetofauna in oorlogsgebieden. In het navolgende laat ik een greep zien van wat ik in de loop der jaren ben tegengekomen aan dergelijke tactische initiatieven en de consequenties die ze mogelijk hebben gehad voor de betrokkenen. 

Alexander de Grote
Alexander de Grote (336-323 vóór Christus) heeft tijdens zijn ver-overingstochten door 'de Indiase woestijn' zoals het gebied in Jacob van Maerlants Spieghel Historiael genoemd wordt, al vóórdat er een treffen met de vijand had plaatsgevonden, menig soldaat verlo-ren door beten van giftige slangen. Ik parafraseer de Middelneder-landse passage: 
Toen Alexander in een gebied was gekomen waar zoet water was, liet hij het bivak opslaan dat wel acht mijlen lang en acht breed was. Hij liet 1500 vuren aansteken, want wilde dieren zijn bang voor vuur. Niettemin werden er vele schorpioenen door aangetrokken en cerasten die nóg pijnlijker beten toebrengen en nog veel meer ser-penten van veel verschillende kleuren. Het hele gebied was ervan vergeven. Ook kwamen er serpenten met kammen op de kop; som-mige serpenten hadden twee, andere drie koppen, hun ogen schit-terden. Alexander gaf opdracht dat ze bevochten moesten worden: zijn soldaten moesten, beschermd door hun schilden, met scherpe lansen en speren het ongedierte te lijf gaan. In deze strijd verloor Alexander dertig ridders en evenzoveel soldaten.

(Maerlant, I,IV,XLV, 1-22).

Deze onverwachte en onplezierige ontmoeting met soms wel erg vreemde serpenten heeft Alexanders opmars overigens amper kun-nen stuiten en heeft nauwelijks invloed gehad op het uiteindelijke resultaat van zijn veroveringstocht. 

Marcus Atilius Regulus
Ook de Romeinse veldheer Marcus Atilius Regulus heeft een on-prettige ontmoeting met een onvermoede vijand gehad. Tijdens de eerste Punische oorlog (264-241 vóór Christus) was hij op weg naar een treffen met aartsvijand Carthago, dat lag in de buurt van het huidige Tunis. Zijn legermacht stuitte op een gegeven moment op de rivier de Bagradas. Toen de tot de tanden gewapende soldaten probeerden met hun oorlogsmachinerieën de rivier over te steken, verstoorden zij een reusachtige slang. Het monster bleek niet van zins Regulus' legermacht naar de andere oever van de rivier te laten trekken, want toen de soldaten de plek van het monster verlieten en elders van een doorwaadbare plaats gebruik wilden maken, bleek de reuzenslang ook daar op te duiken. De eerste soldaten die zich te water begaven, werden door het ondier gegrepen en zonder pardon mee naar de diepte genomen. Uiteindelijk zag Regulus geen andere mogelijkheid, dan het dier te bevechten op dezelfde wijze waarmee hij een menselijke vijand te lijf zou zijn gegaan: met zijn ballis-tische wapens. De enorme katapulten werden naar voren gerold en geladen met zware rotsblokken. Een waar bombardement vond plaats, en een scherpe rots die het dier uiteindelijk tussen de ogen trof, betekende zijn einde. Regulus liet zijn vijand helemaal uit het water trekken. De slang bleek maar liefst 120 voet (± 36 meter) te zijn. Ze werd gevild en haar huid en kakebenen werden naar Rome vervoerd en daar in een tempel op het Capitool geëxposeerd. In 133 vóór Christus werden tempel en trofeeën tijdens de Numantijnse oorlog vernietigd (Shuker 1995, 26-29). 

Cato
Toen Julius Caesar in de nacht van de tiende januari van het jaar 49 vóór Christus de Rubico overstak, ontketende hij daarmee een vijfjarige burgeroorlog die hij - dank zij onvermoede hulp - in zijn voordeel zou beslissen. Zijn tegenstander was Pompeius, die ge-steund werd door Cato Minor. Cato nu, heeft onder meer in Afrika, met name in wat men toen 'Lybië' noemde geopereerd, en uit de peptalk waarmee hij, alvorens aan een mars te beginnen, zijn soldaten trachtte te stimuleren, blijkt dat het niet altijd de le-gioenen van Caesar waren die zij te duchten hadden: 
We marcheren naar dorre vlaktes en de smeltoven van de wereld, waar de hitte van de zon buitensporig is en waar zelden in de bronnen water gevonden wordt en waar de verschroeide velden vergeven zijn van giftige slangen. (...) Ik zal als eerste de woestijn betreden en als eerste mijn voet op het hete zand zetten; laat de hitte van de lucht mij dan treffen en laat giftige slangen zich op mijn weg bevinden. (...) Slangen, dorst, brandend zand, dit alles wordt verwelkomd door de dapperen. 


Cato heeft in overvloed gekregen waar hij om vroeg. Zijn eigen speer dragend, marcheerde hij voor zijn naar adem en water snakkende soldaten uit door de eindeloze Lybische vlaktes, onder een brandende zon, om tijdens momenten van rust als laatste te drinken. Slechts één keer heeft hij gedronken vóórdat zijn man-schappen ook maar één druppel tot zich hadden kunnen nemen. Dat geschiedde tijdens een tocht door een streek die de uiterste grens vormde van het gebied waar menselijke bewoning nog mo-gelijk was. Water werd er zeldzamer en uiteindelijk ontdekte men nog een laatste bron... 'maar een massa slangen had er bezit van genomen, bijna meer dan er op de grond konden zijn: gloeiend hete cobra's omringden de bron en dorstige dipsades bevonden zich in de bron zelf.' Cato's manschappen leken ten dode opgeschreven. Hij overtuigde hen echter van de drinkbaarheid van het water; ener-zijds door te vertellen dat het gif van slangen slechts dodelijk is als er sprake is van een beet, en anderzijds door bij uitzondering als eerste van het water te drinken en er niet aan te sterven. Dit laatste vooral zullen Cato's manschappen als geruststellend hebben erva-ren. En de slangen blijven het leger maar bedreigen. Talloze sol-daten worden geslagen door deze giftige monsters en sterven een wrede dood. De Romeinse verslaglegger van de burgeroorlog, Luca-nus, kan dan ook samenvattend zeggen, dat de adders vochten in Caesars plaats en voor hem de burgeroorlog wonnen (Lucanus, 9,380-404; 9, 608-610). Het blijkt, dat slangen een oorlog onbedoeld in winst of verlies konden laten verkeren. 

Hannibal
In de hiervoor beschreven gevallen waren de ontmoetingen met slangen toevallig, maar er zijn ook gevallen bekend dat strategen doelbewust gebruik van hen maakten om de overhand te krijgen in een gevecht. Voor een dergelijk geval moeten we opnieuw te rade gaan bij de Klassieke Oudheid. We komen dan terecht bij de Carthager Hannibal, die chronisch onenigheid met Rome heeft gehad. Zo rond 195 vóór Christus - Hannibal was toen in dienst van Antiochus van Syrië - mondde deze onenigheid uit in een zeeslag. Hannibal zag kans die te winnen, omdat hij gebruik maakte van aarden potten, gevuld met giftige slangen, die hij met katapulten in de vijandelijke schepen wist te schieten. De potten braken uiteraard als ze op de dekken van de schepen terechtkwamen en de inhoud ervan zaaide in ieder geval paniek, zo geen dood en verderf, onder de geketende roeiers van de Romeinse oorlogsschepen en de dicht op elkaar gepakte soldaten. 

Eeuwen later
Eeuwen later, tijdens één van de vele kruistochten, bleek na ver-overing van een Saraceens schip, dat er kooien met slangen aan boord waren. Klaarblijkelijk waren dat geen huisdieren en het ver-moeden rees bij de kruisvaarders dat het de bedoeling was geweest ze in de Christelijke kampen los te laten. De 'Europeanen' blijken hier van geleerd te hebben, want er zijn gegevens bewaard gebleven dat in de 15e eeuw voorbereidingen werden getroffen om de Noord-Franse kustplaats Calais in te nemen met behulp van eenzelfde tac-tiek: vaten die tot de rand gevuld waren met gifslangen en andere giftige dieren, zouden over de verdedigingswerken van de stad ge-gooid worden, om de inhoud paniek te laten zaaien bij de verde-digers. Morris veronderstelt, dat de effectiviteit van deze strategi-sche zet meer van psychologische dan van fysieke aard aard zal zijn geweest (Morris 1965, 80). 

Ook in de twintigste eeuw hebben legers hinder ondervonden van slangen in oorlogsgebieden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bij-voorbeeld, hebben Amerikaanse soldaten vooral tijdens de slag om het eiland Okinawa en andere eilanden in die regio met giftige slan-gen van doen gehad. Deze slangen, die met de inlandse naam habu-aangeduid werden - ik heb de Latijnse naam niet kunnen ach-terhalen - moeten ettelijke ongevallen op hun geweten gehad heb-ben. Dat deze niet gepaard gingen met dodelijke afloop was onder meer te danken aan de goede medische verzorging van de slacht-offers. 

De oorlog in Vietnam kostte de Amerikanen waarschijnlijk jaarlijks vijf tot tien doden, maar daar zijn nooit officiële cijfers over gepu-bliceerd. Ook zijn er veronderstellingen, dat de Vietcong gifslangen als levende booby traps langs paden en in ondergrondse bunkers achterliet, maar het is niet uit te sluiten dat de dieren deze plaatsen vrijwillig opgezocht hebben (Minton 1971, 117-122). 

Terechtstellingen en aanslagen
En natuurlijk zijn gifslangen ook op micro-niveau te gebruiken: voor terechtstellingen en moordaanslagen. Bekend is de bijzondere rol die de slang speelde bij de terechtstelling van een parricida (va-dermoordenaar). Samen met de veroordeelde en gemartelde par-ricida, werd de adder met een haan, aap en hond in een leren zak genaaid en prijs gegeven aan de golven (Van der Voort 1996, 134-136). In Egypte waren het gifslangen die politieke gevangenen te-rechtstelden. Dat gebeurde vaak met behulp van Vipera lebetina. Het haemotoxische gif van deze dieren veroorzaakte na uren of dagen een uiterst pijnlijke dood (Zimniok 1984, 61). 

Slangen zijn ook uitermate geschikt om te intimideren. In de zo-mers van 1964 en 1965 probeerden reactionairen degenen die in de staat Mississippi burgerrechten kwamen propageren, te intimi-deren door katoenbekken en andere reptielen in hun auto's los te laten. Het is me niet bekend of daar slachtoffers bij zijn gevallen. Ene Glenn Summerford, voorganger van een gemeente van Serpent Handling Believers, heeft getracht van zijn vrouw af te komen door haar te dwingen haar hand in de bak met ratelslangen te steken. Ze werd inderdaad gebeten, maar overleefde de moordpoging (Co-vington 1995). Minton betoogt, dat het menigmaal een hele klus moet zijn geweest om een gifslang ertoe over te halen te doen wat een moordenaar wilde. Slangen zijn immers geneigd om de mens te vermijden. Dat ondervond een Californiër die zijn vrouw met behulp van een ratelslang wilde doden. De slang was weinig coöpe-ratief, zodat de man zijn vrouw uitiendelijk maar verdronken heeft. 

Zelfmoord
Verreweg de beroemdste zelfmoord met een slang komt op naam van Cleopatra. Dit 'serpent van de Nijl', zoals haar politieke mede-stander en minnaar Antonius haar liefkozend noemde, had zich in politiek opzicht aardig in de nesten gewerkt. Toen Antonius zelf-moord had gepleegd, wilde diens tegenstander Octavianus Cleo-patra gevankelijk naar Rome vervoeren, als bijzonder trofee tussen de overige getuigen van zijn overwinning. Maar hij kwam te laat: Cleopatra had al zelfmoord gepleegd met behulp van een slang die in de Middeleeuwse letteren aangeduid wordt met de naam '(h)ip-nale'. Hier moeten we hoogstwaarschijnlijk een cobrasoort achter zoeken, met name Naja haje, de ureusslang. Alvorens zichzelf te laten bijten, vertelt de historie, had zij de slang haar hofdames Naera en Carmen laten slaan, met dodelijk gevolg, om daarna dus zelf nog aan de gevolgen van een beet te overlijden. Behalve dat haar keuze voor een dood door een cobrabeet ingegeven was door het verlangen naar een 'pijnlozere' dood dan door middel van het zwaard of de gifbeker, zou ze de cobra ook geprefereerd kunnen hebben uit statusoverwegingen. Door een cobrabeet werd Cleopatra nauwer verbonden met de godin Isis, aan wie de cobra was gewijd. Octavianus heeft nog geprobeerd om leden van de Psylli, een volk van slangenbezweerders, Cleopatra in leven te laten houden, maar deze poging was tevergeefs. In het boekje Cleopatra van de Franse filologe Edith Flamarion, in Nederland uitgegeven door Fibu-la/Unieboek, staan tal van afbeeldingen waaruit blijkt, dat deze markante historische gebeurtenis zeer inspirerend heeft gewerkt op tal van kunstenaars. Vanwege het copyright op deze afbeeldingen kan ik er daar geen van opnemen hier en moet ik volstaan met het plaatsen van een eigen foto van een beeld in de tuin van Versailles.

Literatuur / References
Covington, D., Salvation on Sand Mountain. Snake Handling and Redemption in Southern Appalachia. Reading, Massachusetts enz., 1995. 
Lucanus, Pharsalia. Loeb Classical Library. Harvard University Press. London, 1988. 
Maerlant, Jacob van, Spiegel Historiael. Met de fragmenten der later toegevoegde gedeelten. Bewerkt door Philip Utenbroeke en Lodewijc van Velthem. Leiden, 1861-1879. Ongewijzigde herdruk Utrecht, 1982. 
Minton, S.A en Minton, M.R., Venomous reptiles. London, 1971. 
Morris, R. and D., Men and snakes. London, 1968. 
Voort, M. van der, 'Herpetologische Sprokkelingen deel 6, Over slangen en vadermoordenaars', in: LS 16 (1996), 134-137. 
Zimniok, Kl., Die Schlange, das unbekannte Wesen. Hannover, 1984.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now