HET GROTE REPTIELENBOEK

Sterrin Smalbrugge,

 

Uitgeverij Luijtingh-Sijthoff. Amsterdam, 2019. ISBN: 9789024586110. Prijs € 20,-. Met illustraties van Wendy Panders en foto’s van reptielenfotograaf Matthijs Kuijpers en anderen.

Er zullen maar weinig dieren zijn die méér dan slangen geholpen moeten worden bij hun gevecht om van hun slechte reputatie af te komen, om de vooroordelen die er jegens hen bestaan te ontzenuwen en om de aversie die velen voelen bij het zien van een slang, te doen omkeren in bewondering. Ik vermoed dat veel slangenhouders hartstochtelijk over hun dieren kunnen praten en eventuele bezoekers misschien wel kunnen verleiden om over hun angst heen te stappen door even het staartpuntje van een uit het terrarium gehaald huisdier aan te raken, terwijl het baasje zelf de levensgevaarlijke kop vasthoudt! Dat soort ontmoetingen zijn belangrijk en dragen er zeker mede toe bij dat tergend langzaam de slechte reputatie van de slang ten goede wordt gekeerd. Misschien zijn er onder u die wel eens een gastles over slangen hebben gegeven op de basisschool van hun kind of kleinkind. Of die hun kind, kleinkind of buurjongen hebben meegeholpen een indrukwekkende spreekbeurt over slangen voor te bereiden. Met als hoogtepunt natuurlijk het moment waarop een echte slang uit haar mobiele behuizing wordt gehaald en aan de verschrikte kinderen en leerkracht wordt vertoond! Ik weet uit ervaring dat zo’n presentatie een groot enthousiasme voor slangen bij kinderen kan bewerkstelligen, want hoe bang ze aanvankelijk ook zijn, uiteindelijk strelen ze het dier allemaal.

 

Maar, je kunt jonge kinderen óók het boek van Sterrin Smalbrugge geven. Dat scoort gegarandeerd. Groot van formaat, fantastisch vormgegeven, prachtige foto’s, verhelderende tekeningen, en boven alles geschreven op een aantrekkelijke, op kinderen toegesneden manier. Puntgrootte van letters, tekstkleur, verschillende fonts, tekeningen en foto’s werken op iedere pagina eendrachtig samen om de grote informatiedichtheid behapbaar te maken voor de (jonge) lezer. Leuk zijn de ‘Wist-je-dat-paragrafen’ die op vrijwel elke bladzijde een opsomming geven van voor dat hoofdstuk wetenswaardige feiten. Niet minder aantrekkelijke zijn de vaak spitsvondige tekeningen die in één oogopslag duidelijk maken wat bijvoorbeeld de voedselketen is (pagina 8), of hoe de bijtkracht van de zoutwaterkrokodil wordt gemeten (pagina 58).

 

Hoewel mijn voorliefde voor reptielen vooral slangen geldt, heb ik met veel interesse ook over krokodillen, gekko’s, hagedissen en schildpadden gelezen. Ik ben erg interessante informatie rijker geworden. Ik kende bijvoorbeeld het trucje van slangen om met hun staart het gekronkel van een worm te imiteren om zo een prooidier te lokken, maar dat de Amerikaanse alligator iets soortgelijks doet, maar dan met takjes op zijn snuit om nestbouwende vogels te lokken, wist ik niet. Geweldige informatie vind ik dat.

 

Wat ik knap van Smalbrugge vind, is dat ze in zo’n kort bestek (96 pagina’s) niet alleen veel reptielen bespreekt, maar en passant op een heel inzichtelijke wijze de jonge lezers informeert over tal van eigenschappen. Want alle onderdelen die je mag verwachten bij een behandeling van reptielen komen zowat aan de orde: een beetje taxonomie, het gifapparaat van sommige reptielen, vervellen, paren, biotopen, winter- en zomerslaap en tal van onderdelen meer.

 

Aantrekkelijk is hoofdstuk 9 dat over reptielen dicht bij huis gaat. Reuzenslangen zijn voor kinderen natuurlijk erg imponerend, maar je moet er wel voor naar de dierentuin of het verre buitenland. In de eigen omgeving zijn echter vaak ook reptielen te vinden. Dus behandelt Smalbrugge de adder, ringslang, gladde slang, muurhagedis, zandhagedis, de levendbarende hagedis en de hazelworm. O ja, en de Russische rattenslang die op enig moment in Nederland werd aangetroffen, een vondst die haar de gelegenheid geeft om even uit te weiden over het gevaar van exoten in onze natuur. Dit hoofdstuk zal veel jonge lezers, hopelijk samen met hun ouders, eropuit doen trekken en bij hen zo wellicht een positieve grondhouding ten opzichte van reptielen laten ontstaan. Ze heeft dergelijke excursies aantrekkelijk gemaakt voor de jonge generatie, door haar uit te nodigen om van waarnemingen aan reptielen foto’s te maken en die naar haar op te sturen, opdat ze die kan toevoegen aan haar #hetgrotereptielenboek. Zo ontstaat er één grote database, samengesteld door velen.

 

In het hoofdstuk ‘Eropuit’ geeft ze een aantal tips waarop je moet letten, als je de natuur intrekt met de bedoeling reptielen te observeren. Ze adviseert jaargetijde, weersomstandigheden, tijdstip van de dag in de gaten te houden (en legt uit waarom ), ze vertelt welke sporen je kunt tegenkomen, ze verklapt dat slangen trillingen voelen, en dat je dus niet als een wildeman over de hei moet struinen.

 

Een gouden greep is de ‘Quiz’ achterin. Uitdagend om het goede antwoord te geven op de vele vragen die in multiple choicevorm gesteld zijn en die een kind na beantwoording duidelijk maken of het, afhankelijk van het geslacht, een Sterrin-in-de-dop, of een Freek-in-de-dop is.

 

Ik wil tot slot nog de apart vormgegeven passages noemen waarin Smalbrugge verslag doet van haar eigen avonturen. Die heeft ze, vaak onder moeilijke omstandigheden, in tal van biotopen gehad, met tal van dieren. Uiteraard vindt ze het dier waarvoor ze op enig moment op pad is gegaan, en na het onderzocht en gefotografeerd te hebben, krijgt het zijn vrijheid weer terug. Vooral dat laatste is niet onbelangrijk en maakt kinderen duidelijk dat je van een ontmoeting kunt genieten, maar het dier daarna met rust moet laten en het biotoop niet moet verstoren. Ze schrijft er in voor kinderen aansprekende taal over en elk avontuur heeft een actiefoto als bewijs.

 

Smalbrugge kan trots en tevreden zijn. Haar missie – opkomen voor dieren die onterecht slecht bekendstaan – heeft ze met dit prachtige boek een uitstekende start gegeven.

Eerder verschenen in Litteratura Serpentium 40.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now