UIT DE WETENSCHAPPELIJKE NALATENSCHAP VAN PROF. DR. A.A. VERVEEN

In warme herinnering aan Bert Verveen

 

Toen prof. dr. Bert Verveen in 2016 overleed, had zijn echtgenote er geen flauw idee van dat zij op enig moment tijdens opruimbezigheden op een interessant archief van haar man zou stuiten. Hoewel zij altijd direct betrokken is geweest bij zijn slangenhobby en hij haar ook op de hoogte hield van zijn onderzoeken aan slangen in het Fysiologisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden waar hij hoogleraar fysiologie is geweest, was wat er tevoorschijn kwam uit één van de vele dozen een complete verrassing. Behalve dat hoogleraren onderzoek dienen te doen, hoort het ook bij hun taak om over hun onderzoeken te publiceren. Dat heeft professor Verveen zijn hele wetenschappelijke carrière gedaan, onder meer in ons eigen Litteratura Serpentium als het slangen betrof, en in prestigieuze wetenschappelijke vaktijdschriften als het om fysiologische of medische verslagen ging. Daarom is het onverwacht en verrassend dat er uitgebreide aantekeningen tevoorschijn kwamen uit zijn beginperiode als hoogleraar in Leiden die nog nooit zijn gepubliceerd. Het betreft aantekeningen uit de jaren 1965 – 1969. In die jaren kocht de net aangestelde hoogleraar Bert Verveen een aantal grote wurgslangen om onderzoek aan te doen met betrekking tot prikkel­overdracht in zenuwen.

 

Behalve correspondentie met onder meer prof. dr. Peernel Zwart van de Universiteit Utrecht en met interne afdelingen van de Rijksuniversiteit Leiden, doorslagen van bestelbonnen, losse vellen met aantekeningen en archiefkaarten, kwam er een pakket van elf dubbele foliovellen tevoorschijn, samen met een stapel zwart-wit­foto’s, alle duidelijk getuigend van een respectabele leeftijd. De foliovellen zijn op de rechterkant volgeschreven in het regelmatige hand­schrift van professor Verveen en bewijzen zijn streven om wat hij wilde beschrijven zo accuraat en objectief mogelijk te doen. Herhaaldelijk heeft hij bepaalde frasen doorgestreept en vervangen door betere, vaak objectievere, maar altijd nauwkeurigere omschrijvingen. In de marges en tussen de regels heeft hij vaak beschrijvingen toegevoegd die een precisering geven van wat er aanvankelijk stond. Met een accolade of pijl geeft hij die aanvullingen hun juiste plaats. De veelal blanco gebleven linker pagina’s heeft hij incidenteel gebruikt om uitvoerigere aantekeningen te noteren, die hij dan weer met een pijl naar hun juiste positie in de hoofdtekst dirigeert.

 

Hij spreekt in de gevonden aantekeningen over ‘wij’. Die voornaamwoordelijke aanduiding zou je kunnen beschouwen als een pluralis modestiae, een bescheidensheidsmeervoud. Je komt deze manier van schrijven vooral tegen in wetenschappelijke teksten. De onderzoeker gebruikt de pluralis modestiae om het niet over ‘ik’ te hoeven hebben; dat zou ‘pedant’ kunnen overkomen. In dit specifieke geval mogen we echter aannemen dat met ‘wij’ de teamleden van het Fysiologisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden zijn bedoeld, de hoogleraar incluis. Laatstgenoemde heeft alles opgeschreven, maar slechts als ‘secretaris’ van het team – en als eindverantwoordelijke natuurlijk. Op de beginpagina van de foliokaternen staan, naast zijn eigen naam, ook die van zijn medewerkers vermeld. In Lacerta 27(7) uit 1968, waarin hij met zijn team de bijdrage ‘Stomatitis ulcerosa bij twee worgslangen’[1] heeft gepubliceerd, komen we dezelfde namen tegen: ‘Prof. dr. A.A. Verveen en drs. M. Kooij, met medewerking van J. Colijn, H.H. van der Mey en W.P. Walen’. Mevrouw Verveen vermoedt dat het, naast wetenschappelijke medewerker Kooij ook om dierenverzorgers en een amanuensis gaat.

 

De redactie laat in de komende afleveringen van Litteratura Serpentium deze ongepubliceerde aantekeningen alsnog het licht zien. De beschrijvingen dateren weliswaar van ruim een halve eeuw geleden, maar zijn om meer dan één reden interessant genoeg om er vandaag de dag nog kennis van te nemen. Slangen zijn in die korte tijd immers niet zodanig geëvolueerd dat een nauwkeurig waarnemer er heden ten dage significant ánder gedrag van zou kunnen beschrijven. Wat het ‘team-Verveen’ heeft geconstateerd en aan het papier heeft toevertrouwd, mag daarom een uiterst betrouwbaar uitgangspunt zijn voor verder onderzoek aan dezelfde slangensoorten.[2] Bovendien zijn de beschrijvingen voorbeeldig: moderne wetenschappers kunnen eruit leren wat en hoe je gedragingen van je proefdieren idealiter zou moeten beschrijven. Wat zeker interessant is om te lezen, is hoe het team omging met de aangeschafte dieren. Die kregen, net als de twee Boa constrictor dat in huize Verveen hadden (zie foto hiernaast), de volledige vrijheid in de proefdierenkamer in het laboratorium. Die vrijwel onbeperkte vrijheid levert, zoals u zult gaan zien, interessante observaties op, maar ook frustrerende situaties. Verder zeggen enkele passages iets over de toenmalige medische en therapeutische stand van zaken met betrekking tot ziektes die bij slangen kunnen optreden. We kunnen, door een vergelijking te trekken met de huidige stand van zaken, zien met wat voor reuzenstappen de medisch-wetenschappelijke kennis op slangengebied sindsdien is voortgeschreden. Tot slot herken ik in het geschrevene de persoonlijke stijl van een gepassioneerd wetenschapper, die vóór alles integer en accuraat wil zijn en op wiens geschriften je volledig mag vertrouwen. Een dergelijke houding is in de hooggeleerde wereld niet vanzelfsprekend.

 

‘Een jaar wurgslangen in huis’ heeft het katern als titel meegekregen, waarbij ‘huis’ het lab impliceert. Onder de namen van de bovengenoemde medewerkers volgt de inhoud:

 

  • Grote anaconda[RDJ1] , roofdier-prooirelatie

  • Regenboogboa, roofdier-prooirelatie, verzwelging van de prooi, verwonding

  • Boa constrictor, hinderen, bekrot

  • Netpython, my home is my castle

  • Temmen van wurgslangen

  • Gevaarlijkheid van wurgslangen

 

Een pagina verder staat een overzicht van belangrijke gegevens over de afzonderlijke dieren. Uit de overige bewaard gebleven correspondentie zijn soms aanvullende gegevens te destilleren.

 

Dient zich nog een interessante vraag aan: waarom heeft Bert Verveen deze aantekeningen toentertijd niet gepubliceerd? Waarom heeft hij ze niet, zoals dat ook met de casus van Stomatitis ulcerosa het geval was, verder uitgewerkt tot een officiële publicatie? Wellicht heeft dat te maken met hoe er in die periode aangekeken ging worden tegen dierproeven. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw ontstond er steeds meer verzet tegen vivisectie. De reptielen in het Fysiologisch Laboratorium waren echter uitdrukkelijk bedoeld voor proeven. In het artikel over de grote anaconda dat hierna volgt, staat een passage die me erg choqueerde – ik weet vrijwel zeker dat u die passage wel zult herkennen. Publicatie van dat verslag zou koren op de molen van de dierenactivisten zijn geweest, met alle gevolgen vandien voor het onderzoek.[3] Ik weet dat Bert Verveen zijn hele leven op zoek is geweest naar de oorzaken van pijn, naar de fysiologische processen die daarbij een rol spelen en hoe die processen zouden kunnen worden beïnvloed. Hij heeft zich afgevraagd hoe mensen sterven. Hoe verlopen dié fysiologische processen? Hoe zou hij als fysioloog daarbij verlichting kunnen bieden?[4] Hij is in het Jappenkamp tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan eens getuige geweest van onvoorstelbare wreedheden met dieren en het maakte hem ziek. Hij is in die vreselijke periode ook gedwongen geweest om kleinvee te slachten; daar heeft hij nooit aan kunnen wennen.[5] Als hoogleraar fysiologie was hij genoodzaakt om proeven op dieren te (laten) doen, maar wel om uiteindelijk een bijdrage te kunnen vinden aan de bestrijding van pijn. Hoewel op de passage die mij choqueerde meteen een geruststelling volgde, kan ik me voorstellen dat tóen ruchtbaarheid geven aan wat er zich in het lab zou kunnen afspelen niet wenselijk was. Het manuscript verdween in een la, in een doos, in een kast en is pas onlangs teruggevonden.

 

De aantekeningen lopen door tot ergens in 1969. Het zou aardig zijn om te weten wat er uiteindelijk met de slangen is gebeurd, hoe lang zijn zij object voor verder onderzoek en observatie voor Bert en zijn team geweest? Waar zijn ze gebleven? Ik heb geprobeerd om de coauteurs te traceren, maar geen van hen blijkt nog in leven te zijn. Ook van zijn hooggeleerde opvolgers heeft niemand definitief uitsluitsel kunnen geven over het lot van de sympathieke hoofdpersonen van het feuilleton waarvan u de zes delen in de komende afleveringen zult aantreffen. Eén veronderstelling gold de netpython, waarvan Ruud van den Berg, een collega van Bert Verveen, zich meende te herinneren dat die uiteindelijk naar Artis is gegaan. Wellicht dat Bert zelf de boa mee naar huis heeft genomen.

Nel Verveen heeft mij niet alleen de corrrespondentie, de ongepubliceerd gebleven aantekeningen en foto’s ter beschikking gesteld, ze heeft mij eveneens toegestaan dat alles in Litteratura Serpentium een verlate publicatie te geven. Ik dank haar oprecht voor haar vertrouwen.

 

Bij de translitteratie van het handschrift heb ik even overwogen om ook de doorgehaalde passages op te nemen. Deze doorhalingen en de bijbehorende verbeteringen laten immers zien met welk een nauwkeurigheid Bert Verveen – en zijn teamleden natuurlijk – hun observaties hebben verricht. Na ampele overwegingen heb ik hiervan afgezien. Als Bert dit manuscript zélf zou hebben gepubliceerd, zou hij daarvoor enkel zijn verbeterde versie hebben gebruikt.

 

[1]  In de beschrijving van de Boa constrictor (te verschijnen in aflevering 1 van jaargang 42) gaat het onder meer over de mondrot die op enig moment bij dit dier optrad. De toen toegepaste therapie verdiende het uiteraard om uitvoerig in een aparte publicatie bekend gemaakt te worden. In deze ongepubliceerd gebleven aantekeningen is ze maar oppervlakkig beschreven.

 

[2] Het spreekt vanzelf dat individuele dieren van dezelfde soort gedrag afwijkend van de ‘norm’ kunnen vertonen, maar dat laat onverlet dat uit verscheidene beschrijvingen van individuen van eenzelfde soort een betrouwbaar gemiddelde valt te destilleren.

 

[3]  In zijn bijdrage ‘Ik doe proeven op dieren’ in het boek van Henk Smit (red.), Dierproeven in de moderne samenleving. Feiten en meningen over het gebruik van proefdieren vertelt Bert Verveen over de moeite die hij met dierproeven had.

 

[4]  Zie Malou van Hintum, Wat wil Nederland weten? Over de totstandkoming van de nationale wetenschapsagenda.

 

[5]  Zie ‘No longer silent’, zijn autobiografisch geschrift op zijn website verveen.eu.

Eerder verschenen in Litterarura Serpentium 41 (2021), 132-140.

413-Van der Voort-01.jpg