Mean and lowly things. Snakes, science and survival in the Congo

 

Kate Jackson


Harvard University Press. Cambridge, Massachusetts, and London, England, 2008. ISBN: 13-978-0-674-02974-3. $ 18,45 (Amazon).

Toen Kate Jackson in 2005 aan haar eerste herpetologische expeditie in Congo begon, had ze er geen idee van dat er op dat moment een militaire coup aan de gang was die het land in een burgeroorlog zou storten. Ze was op weg naar de jungle, zo’n 450 mijl ten noorden van de hoofdstad Brazzaville. Van militairen en rebellen zou ze daar geen last krijgen, wel van een hoop andere vijanden. Eén van die vij-anden is onwetendheid, een andere is bijgeloof. Tijdens een tussen-stop, als ze op weg is naar de uiteindelijke plek in het oerwoud waar ze haar onderzoek wil verrichten, komen dorpsbewoners haar ver-tellen dat ze een slang hebben gezien. Gewapend met een slangen-haak haast ze zich naar de plek waar de pygmeeën in een ruime kring om een boom staan geschaard waarin zich een slang genesteld heeft. Als Jackson het reptiel nadert, blijkt het om een onschul-dige Lamprophis te gaan. Weg gaat dan ook de slangenhaak, en met haar blote handen ontwart ze de agressieve slang, terwijl de toe-schouwers kreten van ontzetting slaken. Het lukt haar niet om het dier uit de takken te ontwarren zonder een beet te incasseren. Niks aan de hand, zou je denken. Maar toch. Voor pygmeeën is elke slang een giftige. Ze zijn doodsbang voor deze dieren. Alleen voor witte heksen zijn ze nóg banger… 

Dat laatste neemt niet weg dat twee pygmeeën toch als gids willen functioneren voor Jackson. Het blijken de slechtst denkbare exem-plaren te zijn: hun koken omvat onder meer het opdienen van rotte vis, ze weigeren het ondergoed van een vrouw te wassen, ‘s nachts, als er een speurtocht naar nachtactieve reptielen zou moeten plaats-vinden, vertikken ze het om hun onderkomen te verlaten. Ze zijn er ook niet toe te bewegen om door een moeras te waden. Deze expe-ditie is trouwens toch een kort leven beschoren, omdat Kate Jackson tijdens een solotocht op een nacht haar been verwondt. De infectie die zich kort daarna openbaart, dwingt haar terug te keren naar de beschaafde wereld. Maar ze zal terugkeren, neemt ze zich voor.

Voordat we echter gaan lezen hoe haar volgende expedities verlopen, vertelt Jackson hoe haar fascinatie voor het conserverende aspect van de herpetologie is ontstaan. In haar geval is dat een stageperiode op het Hepetology Department van het Royal Ontario Museum in Canada geweest tijdens haar opleiding op high school. Het meren-deel van de museale collectie bevond zich niet in het expositie-gedeelte van het museum, maar achter gesloten deuren. De duizen-den potten die ze daar zag, met daarin amfibieën en reptielen die ge-durende een veelheid van jaren door tal van veldwerkers op exoti-sche plaatsen waren gevangen, maakten een onuitwisbare indruk op haar. Deze stage-ervaring wordt gevolgd door een opleidingsplaats aan het Herpetology Department van het prestigieuze Smithsonian Institution.

Jacksons fascinatie is overduidelijk, maar er komt een moment tij-dens haar opleiding dat ze een wetenschappelijke, maar zeker ook ethische verantwoording wil horen voor het weghalen van dieren uit hun biotoop om ze in een laboratorium te onderzoeken. Het stereo-type antwoord: ‘om de biodiversiteit te documenteren’ bevredigt haar niet. Uiteindelijk levert een discussie met docenten en mede-studenten haar interessantere stof tot nadenken op. Haar mentor betoogt, dat het noodzakelijk is om soorten in hun algemeenheid te kennen, ten einde ze te kunnen beschermen. ‘We kunnen niet be-schermen wat we niet kennen. We brengen de streken met de groot-ste biodiversiteit in kaart om uit te zoeken welke de belangrijkste zijn voor ons om te beschermen.’ Een andere onderzoeker voegt daaraan toe: ‘Maar wat we werkelijk trachten te doen als weten-schappers, is alles onderzoeken. Soorten identificeren is de aller-eerste stap, Als we eenmaal weten wat ze zijn, kunnen we een begin maken met het bestuderen van wat ze doen. Als we alles over een ecosysteem begrijpen, zullen we weten welke de sleutelsoorten zijn (…) en zullen we goed in staat zijn om in de gaten te houden dat de balans die nodig is om alles in evenwicht te houden, gehandhaafd blijft.’ (pag. 11). Kate Jackson heeft, net als de lezer, iets gekregen om over na te denken.

Omdat Jackson vervolgens op expeditie is gegaan om op exotische plaatsen in Congo, amfibieën en reptielen te zoeken en te conser-veren, heeft bovenstaande argumentatie haar blijkbaar overtuigd. Ik heb echter zo mijn bedenkingen. Door wat ik steeds vaker lees in her-petologische literatuur en zie in natuurdocumentaires, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat zelfs wetenschappelijke argu-menten niet zwaarwichtig genoeg meer zijn om als excuus te dienen voor de plundering van een gebied. Ik herinner me een lezing van Twan Leenders van misschien wel vijftien jaar geleden. Deze vond plaats tijdens de toentertijdse slangendag en ging over het onderzoek dat Leenders had gedaan in het regenwoud van Costa Rica. Hij legde uit hoe precair het evenwicht in een bepaald gebied kan zijn. Grof-weg zijn er in de Costa-Ricaanse jungle – en wellicht ook in andere regenwouden - drie plaatsen te onderscheiden waar slangen voorkomen: op de bodem, in het kreupelhout en de lagere regionen van de bomen, en de kroonlaag. Onder deze slangen zijn dagactieve soorten en nachtactieve. Elk met hun eigen voedselvoorkeur. Er heerst een prachtig ecologisch evenwicht in zo’n gebied. Omdat het jaren geleden is dat ik deze lezing heb bijgewoond, kan ik niet met 100% zekerheid garanderen dat ik de juiste herinnering bewaar aan Leenders’ conclusie die, ik dacht, hier op neer kwam: het wegvangen van één of enkele exemplaren kan al desastreuze gevolgen hebben voor de herpetofauna van het gebied waar dat gebeurt. Ook weten-schappelijk onderzoek kan dus een verstorende factor zijn, als dat inhoudt dat er individuen aan een (mini-)ecosysteem onttrokken worden. Recentelijk heeft Furman dat aangetoond voor timber-ratelslangen in Vermont en New York (Furman, 2007, 80), van wat langer geleden dateert het nog steeds indrukwekkende pleidooi van Harry Greene (Greene, 1997, vooral hoofdstuk 16).

Ik vraag me ook af, wat Jackson uiteindelijk is opgeschoten met het wegvangen van tientallen slangen, kikkers en padden van dezelfde soort bij haar twee kampplaatsen in Congo. Ze kon de dieren vrijwel onmiddellijk determineren en nieuwe (onder)soorten heeft dat alles niet opgeleverd. Ik heb me al lezend zelfs af en toe geërgerd, bijvoor-beeld als blijkt dat ze erg veel waterslangen van het genus Grayia in haar netten aantreft. Wat voor zin heeft het, om al die exemplaren te doden, te conserveren en mee naar Amerika te nemen? Ik ben het doorslaggevende argument hiervoor niet tegengekomen in haar boek. Ik vond het overigens nogal verrassend om te lezen dat nieuwe (onder)soorten weliswaar gevangen worden tijdens veldwerk, maar vaak pas ‘ontdekt’ worden bij laboratoriumonderzoek, soms jaren later (pag. 173).

Jackson beschrijft één concreet determinatiegeval waarvan ik niet kan ontkennen dat ik het erg interessant vond. Tijdens haar tweede expeditie komt ze in het bezit van een dode adder. Een eerste, oppervlakkige blik doet haar vermoeden dat het een exemplaar van Causus of misschien wel Atheris betreft. Haar twee assistenten krijgen de opdracht het dier te determineren. Beiden komen tot de slotsom dat het een Cerastes moet zijn. Maar gezien het ver-spreidingsgebied van Cerastes is dat een onmogelijkheid. Niettemin, als ze enige tijd later zelf de determinatiesleutels erbij pakt, komt ze tot dezelfde slotsom. Dus óf de sleutel klopt niet, óf het betreft een wel erg bijzonder dier. Maar Jackson komt hier niet meer op terug.

De voor mij weinig bevredigende rechtvaardiging voor het weg-vangen van reptielen en amfibieën uit hun biotopen heeft me overigens niet verhinderd om met volle teugen te genieten van dit prachtige boek. Ik heb veel bewondering voor Jackson. Voor haar doorzettingsvermogen, haar vakkennis, haar aanpassings- en incas-seringsvermogen. Haar verslag van tweeëneenhalve expeditie laat zich lezen als een roman. Het is erg interessant om te lezen wat er allemaal komt kijken bij de voorbereiding en uitvoering van der-gelijke expedities. Je kunt je thuis – in het geval van Jackson is dat Toronto, Canada – nog zo goed voorbereiden, eenmaal op de plek van bestemming aangekomen, kom je toch weer voor verrassingen te staan, of blijk je thuis de verkeerde keuzes gemaakt te hebben. Com-municatie is een voortdurend probleem. Dat begint al, als je contact wilt leggen met de juiste mensen ter plaatse. In de moderne wereld zijn we zo gewend geraakt aan digitale verworvenheden en mobiele telefoons, dat we ons amper meer kunnen voorstellen dat we nog eens ooit brieven moeten schrijven of koeriers op pad moeten sturen. Maar ook communicatie in directe zin, praten met mensen, gaat niet probleemloos in Congo. Dat geldt in het kwadraat als je eenmaal in de jungle zit, waar mensen nog nooit een blanke hebben gezien. Naast het Lingala wordt er Frans gesproken in Congo en hoewel Jackson zelf uit een tweetalig land komt (in Canada wordt Frans en Engels gesproken), liet haar Frans aanvankelijk te wensen over. Als voorbereiding op haar tweede expeditie besluit ze dan ook Lingala te leren. Die inspanning zal haar geen windeieren leggen. Ze houdt er zelfs een echtgenoot aan over.

Maar behalve gebrekkige communicatie is er nog meer vervelend: de hitte, de vochtigheid, de termieten, de mieren, de wespen, de vliegen, het abominabele voedsel, de slechte hygiënische omstandigheden, de primitieve werkomstandigheden, het feit dat ze een blanke is, het feit dat ze een vrouw is, obstinate gidsen, jaloerse echtgenotes van gidsen, aanloop van dorpsbewoners die de noodzakelijke rust in en om het kamp verstoren, ergerniswekkende bureaucratie, perma-nente zorgen over geld, het eindeloze gemarchandeer over de prijs van de zoveelste al of niet dode slang waar de dorpelingen mee ko-men aanzetten, de altijd natte kleren, de door wormen en maden be-woonde bulten onder huid, malaria, enfin, teveel om op te noemen. Ik heb met verbijstering kennis genomen van Jacksons ervaringen.

Van twee zaken vond ik het extra boeiend om kennis te nemen. Ik ben vooral geïnteresseerd in de cultuurhistorische aspecten van de herpetologie. Vanuit die invalshoek heb ik me jarenlang bezig ge-houden met de bestudering van Middeleeuwse bestiaria, met name het serpentenhoofdstuk uit Der naturen Bloeme (± 1270), de eerste volkstalige natuurencyclopedie van het Vlaamse fenomeen Jacob van Maerlant. In deze natuurencyclopedie komen 35 serpenten voor waarvan sommige een Middeleeuwse naam dragen die ook nu nog gehanteerd wordt. Toch is duidelijk dat er niet onze huidige slangen mee worden bedoeld. De boa is er zo een. De Antieke en Middel-eeuwse informatie over deze slang strookt niet met de eigen-schappen van onze moderne boa. Achterhalen welke slang er dan wél mee bedoeld zou kunnen zijn, is een intrigerend onderzoek. Jaren geleden suggereerde Anton van Woerkom al, dat met de Antieke boa Python sebae bedoeld zou kunnen zijn (Van der Voort 1993, 56-57). Ik vind het interessant om bij Jackson een onder-steuning van deze suggestie te vinden: ‘Boa is de naam die de mensen hier gebruiken voor Python sebae, de Afrikaanse rotspython. Er zijn geen echte boa’s in Afrika, maar om een of andere reden past de naam.’ (pag. 39).

Een tweede bijzonderheid die mij in het boek van Jackson erg heeft aangesproken, betreft de onvermijdelijke therapieën tegen gifbeten. Tijdens de eerste expeditie heeft Jackson geen sera in haar bagage. Die zijn er simpelweg niet voor giftige soorten in Congo. Ze heeft trouwens ook niet de hulpmiddelen tot haar beschikking om de sera ingevroren te houden. Ze maakt wel kennis met alternatieve Congo-lese middelen. Eén ervan is de zogenaamde zwarte steen (pierre noire). Die zou gif uit een bijtwond zuigen en zo vergiftiging voorkomen. Jackson raakt in een heftige discussie over de werk-zaamheid ervan. Als iemand betoogt dat hij met eigen ogen heeft ge-zien hoe effectief de steen werkt, reageert Jackson met de ver-onderstelling dat het wel een beet van een niet-giftige slang zal zijn geweest die ermee ‘genezen’ is (pag. 199). De steen heeft inderdaad een zuigende werking in die zin, dat je tong er aan vast blijft plakken. Maar hij zou absoluut niet in staat zijn om gif uit een wond te zuigen.

Al in vergleden tijden kende men de slangensteen of bezoar , een steen die prachtige kleuren had en weldadige eigenschappen bezat. Zo’n steen moest uit de kop van een levende slang gehaald worden, omdat anders de bijzondere eigenschappen verloren gingen. Bij Jacob van Maerlant staat over de aspis te lezen, dat dit serpent een dergelijke steen in de kop had. Zo’n bezoarsteen diende direct op de plaats van de beet gedrukt te worden, zodat de kwalijke gevolgen van zo’n beet voorkomen werden. Hans Egli droeg tijdens zijn tochten door de oerwouden altijd een slangensteen bij zich. Eén van zijn vrienden had met een dergelijke steen in een tijdsbestek van enkele jaren maar liefst 47 gebetenen genezen. In twee tot drie dagen zoog de bezoar het gif uit de wond en viel er dan van af. Als de steen een halve dag in de melk had gelegen, was hij weer gebruiksklaar (Egli 1985, 22; meer over de bezoarsteen bij Ameling 1978, 102; Henkin 1943; Howey 1955, 356 e.v.; Klauber 1997 II, 926 e.v.; Minton 1971, 107; Sinha 1979, 7). In één van de rariteitenkabinetten van het Museum Boerhaave in Leiden is een dergelijke bezoar te bekijken.

Tijdens haar tweede expeditie komt Jackson in aanraking met weer een ander, inheems middel tegen slangenbeten. Deze keer is het een vloeistof waarvan één van de notabelen van het dorp haar de sa-menstelling toevertrouwt. Beleefdheidshalve ziet Jackson zich ge-noodzaakt zelf de ingrediënten te verwerven om haar eigen antidotum te maken, maar force majeure verhindert dat. Ze is er niet rouwig om.

Op het laatst gaat het toch nog fout (pag. 294 e.v.). Bij het zoeken naar slangen in een hoop stenen meent Jackson het schubben- en kleurenpatroon van een onschuldige slang te herkennen. Ze grijpt het dier nog net bij de staart en heeft plotsklaps een boscobra in handen. Zoals ze de bek ziet opengaan, voelt ze ook de prik in haar rechterduim. Ze associeert haar situatie direct met die van Joe Slowinski, de onfortuinlijke Amerikaanse herpetoloog, die in 2001 in Birma gebeten werd door een krait. Diens vrienden hebben toen gedurende 30 uur geprobeerd hem met mond-op-mondbeademing in leven te houden, wachtend op hulp die nooit zou komen (James 2008). Gelukkig is Jackson niet aangewezen op inheemse antidoten, maar heeft ze de beschikking over polyvalent serum. Het zal haar redding blijken te zijn.

Jacksons boek bevat 321 pagina’s boeiende literatuur. Ik weet inmiddels dat ik tot die ene categorie slangenliefhebbers behoor, die recensent Mark W. Moffet op de achterkant van het boek beschrijft als ‘armchair adventurer’. 


Literature 
Ameling, A., De adder. Utrecht, 1978.
Egli, H., Das Schlangensymbol. Ge­schichte, Märchen, Mythos. Darm­stadt, 1985.
Jon Furman, Timber Rattlesnakes in Vermont & New York. Biology, History, and the Fate of an endangered species. University Press of New England. 2007.
Greene, H., Snakes. The evolution of mystery in nature. Berkeley, Los Angeles, London, 1997.
Henkin, L., ‘The carbuncle in the adder’s head’. In: Modern Language Notes, 1943, 34-39.
Howey, M. Oldfield, The encircled serpent. A study of serpent symbolism in all countries and ages. New York, 1955.
James, J., The Snake Charmer. A Life and Death in Pursuit of Knowledge. New York, 2008.
Klauber, L., Rattlesnakes. Their Habits, Life, Histories, and Influence on Mankind. 2 Vols. Berkely and Los Angeles, 1997.
Maerlant, Jacob van, Der naturen bloeme. Ed. Eelco Verwijs, Leiden, 1878. Ongewijzigde herdruk 1980.
Maerlant, Jacob van, Der naturen bloeme. In: Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300).Uitgegeven door M. Gysseling m.m.v. en van woordindices voorzien door W. Pijnenburg. Reeks II: literaire handschriften, deel 2. ‘s-Gravenhage, 1981.
Minton, S.A en Minton, M.R., Venomous reptiles. Lon­don, 1971.
Sinha, B., Serpent Worship in Ancient India. New Delhi, 1979.
Voort, M. van der, Van serpenten met venine. Jacob van Maerlants boek over slangen hertaald en van herpetologisch commentaar voorzien. Hilversum, 1993.
Waal, M. de, Dieren in de volksgeneeskunst. Antwerpen, z.j.

Eerder verschenen in Litteratura Serpentium 29 (2009).

Toegegeven: op pagina 131 verzucht Jackson: ‘Centraal-Afrikaanse kikkers zijn berucht moeilijk te determineren. Er zijn veel, veel frustrerende soorten van wat ik LBF’s noem (Little Brown Frogs).’

Een bezoarsteen is in de volks­ge­neeskunde een bekende steen. De naam zou afkomstig zijn van het Hebreeuwse behalzazar, dat ‘meester van het vergif’ betekent - De Waal z.j., 52.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now