Snakes in Grey, Serpents in Blue: Snakes in the American Civil War

 

Richard Douglas Justice

Geen uitgever vermeld. 6 november 2018. ISBN: 9781983101236.

 

Motto

De adders vochten in Caesars plaats

En wonnen de Burgeroorlog [1]

 

Voordat ik een slangenboek daadwerkelijk ga lezen, blader ik er eerst eens doorheen, lees hier wat, daar wat, neem eens een kijkje in de literatuuropgave, bekijk de afbeeldingen en probeer zodoende een algemene indruk te krijgen. Vergeleken met veel andere boeken over slangen die ik de laatste tijd onder ogen heb gehad, heeft deze ‘thesis’ zijn uiterlijk bepaald niet mee. Het ontbreken van een uitgever, de slechte kwaliteit van de illustraties, de onaantrekkelijke lay-out, de nikszeggende voorkant doen vermoeden dat de meerduidige benaming ‘thesis’ in de dankbetuiging waarmee Justice zijn boek begint, eerder geïnterpreteerd moet worden als ‘scriptie’ dan als ‘proefschrift’. Van welke opleiding deze studie de afsluiting is, blijft verder onduidelijk. Vermoedelijk is ze ook nog eens uitgegeven als print-on-demand, alsof dat een excuus zou zijn om geen mooi resultaat te krijgen. Ik heb in mijn werkzame leven aardig wat scripties onder ogen gehad, en de trucjes om van ‘niets’ ‘iets’ te maken komen in dit werkstuk erg doorzichtig terug. De té ruime marges, de té grote regelafstand, de té royale puntgrootte van het lettertype, het uitzetten van de afbreekfunctie, de wijze waarop de afbeeldingen zijn geïmplementeerd, demonstreren onmiskenbaar dat de 123 pagina’s-en-nog-een-lege-bladzijde gemakkelijk tot minder dan de helft hadden kunnen worden teruggebracht. Ik krijg altijd de kriebels van een dergelijke vormgeving.

 

Enfin, hoewel ook een boek zelden een tweede kans krijgt om een eerste indruk te maken, heb ik deze studie toch maar het voordeel van de twijfel gegeven, want uiteindelijk gaat het om de inhoud. Zo was het niet onaardig om te lezen hoe een terloopse vraag de katalysator kan zijn van een specifiek onderzoek. Ik begrijp uit de eerdergenoemde dankbetuiging, dat het een dergelijke vraag is geweest die bovengenoemd boek heeft opgeleverd: ‘Hoeveel mensen zijn er in de Amerikaanse Burgeroorlog gestorven aan slangenbeten?’ Justice heeft al decennialang een grote interesse in de Amerikaanse Burgeroorlog, dus hij leek de aangewezen persoon te zijn om het antwoord op die vraag te onderzoeken en te formuleren. Het resultaat is deze scriptie geworden.

 

Mijn kennis van de Amerikaanse Burgeroorlog was vóór aanvang van lezing van deze scriptie vrijwel nihil. Meer dan dat het een strijd is geweest tussen de Zuidelijken - die tégen, en de Noordelijken - die vóór de afschaffing van de slavernij waren, had ik bij aanvang van lezing van deze scriptie niet, al kon ik al wel op jeugdige leeftijd De negerhut van oom Tom van Harriët Beecher Stowe op mijn c.v. zetten. Aan die beperkte kennis is, eerlijk toegegeven, dank zij deze studie interessante informatie toegevoegd.

 

Zo heb ik me nooit afgevraagd hoeveel slachtoffers de Amerikaanse Burgeroorlog heeft geëist. Dat zijn er volgens Justice zo’n 600.000 geweest (pagina 1). Dat blijkt echter een conservatieve opvatting te zijn. Toen de universiteit van Minnesota in 2010 de resultaten van haar demografisch onderzoek online zette, werd duidelijk dat dat aantal met zo’n vijfentwintig procent verhoogd moet worden: 750.000![2] Misschien had Justice dat kunnen weten.

 

Voor de Unionisten (‘Noordelijken’) zijn de gevechten in de zuidelijke streken, met hun van het noorden afwijkende natuur en dito (herpeto)fauna, een ware nachtmerrie geweest. Keer op keer toont Justice aan dat zij slangen minstens zo vreesden als de vijand. Zij liepen in hun thuisgebieden aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met giftige soorten dan in de Confederale streken. Bovendien brachten de soldaten de meeste tijd door met marsen door moerasachtige gebieden langs rivieren, door met kreupelhout begroeide streken, bivakkeerden ze op dergelijke plekken en vonden er daar ook de nodige gevechten plaats. Het krioelde er van die giftige kruipers. Op de pagina’s 2, 3 en 4 getuigen tekeningen die artistiek aangelegde Noordelijke soldaten gemaakt hebben, van de barre omstandigheden waarin zij hebben moeten strijden en overleven.

 

De Noordelijke ofidiofobie is ruimschoots geboekstaafd. Veel Unionistische soldaten konden, in tegensteling tot hun Confederale opponenten, lezen en schrijven en maakten in hun brieven aan het thuisfront en in hun dagboeken structureel gewag van ontmoetingen met slangen. Die confrontaties eindigden meestal met het vernietigen van de slangen, zelfs als dat onschuldige exemplaren waren – wisten zij veel! Behalve dat deze ofidiocide door onwetendheid werd ingegeven, was ook de Bijbelse gelijkstelling van de slang met de duivel een reden om er zoveel mogelijk te doden. Dat religieuze excuus om slangen te doden ben ik al eens eerder tegengekomen in het mooie boek van Jon Furman, waarin het de Amerikaanse pioniers zijn die zich, ondanks hun harde strijd om hun bestaan, geen moeite hebben gespaard om zoveel mogelijk duivelse dieren te vernietigen (Furman 2007). De Confederale soldaten, voor wie slangen minder bedreigend en beangstigend waren, en die het verschil tussen giftige en ongiftige dieren beter kenden, hebben er veel minder gedood.

 

Hoewel de aanleiding om deze studie te schrijven de terloopse vraag was: ‘Hoeveel mensen zijn er in de Amerikaanse Burgeroorlog gestorven aan slangenbeten?’ (er zal uiteindelijk geen antwoord op komen), spitst Justice zijn onderzoek toe op de reacties van de soldaten op ontmoetingen met slangen. Ook besteedt hij aandacht aan volksgeneeskundige en reguliere medische behandelingen van slangenbeten. Verder hebben beide partijen slangen in cartoons en liederen gebruikt als symbolen voor eigen moed of voor vijandelijke verraderlijkheid en krijgen we daar als lezer een bloemlezing van voorgeschoteld.

 

Voordat Justice de diverse streken waar Unionisten en Confederalen elkaar hebben bevochten behandelt, besteedt hij aandacht aan het verschijnsel ofidiofobie, de angst voor slangen. Als eerste ‘bron’ (source) voor deze fobie noemt hij de Bijbel. Hij citeert als bewijs enkele voordehandliggende passages. Strikt genomen lijkt de Bijbelse verklaring me geen geldige. Eerder dan een verklaring voor ofidiofobie lijkt me de Christelijke religie een rechtvaardiging te geven voor de vernietiging van slangen. Je hoeft niet echt bang te zijn voor slangen om je op basis van je geloof verplicht te voelen die duivelse dieren af te maken. Geldiger lijkt me dan ook Justice’s argument dat gebrek aan opleiding ofidiofobie in de hand gewerkt zal hebben. Wie amper ontwikkeld is, wiens enige kennis bestaat uit wat volksverhalen vertellen over de hem omringende wereld, zal zeker gevoelig zijn voor spannende, maar daarom nog niet waarheidsgetrouwe volksverhalen, in dit geval over slangen. Justice onderbouwt deze stelling met wat (over)bekende voorbeelden. Ik had het leuk gevonden, als ik er iets nieuws tussen had aangetroffen. De schrijver blijft ver uit de buurt van de psychologie voor een verklaring voor ofidio­fobie, een discipline die mijns inziens niet onvermeld had mogen blijven. Daar lijkt mij de kans het grootst om een verklaring te vinden voor dit intrigerende verschijnsel. Hij had op z’n minst kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld Mundkur, die uitgebreid en overtuigend ingaat op ofidiofobie (Mundkur 1983).

 

Het zou handig zijn geweest als Justice geografische kaarten van het strijdtoneel had opgenomen. Hij behandelt diverse strijdtonelen (The East, Mississippi River Valley, Upper South, Lower South, Trans-Mississippi West) en vermeldt telkens veel geografische of topografische aanvullingen. Een overzichtskaart van het actuele gebied zou me aardig geholpen hebben om van ieder hoofdstuk de tekst beter te kunnen duiden.

 

Het gaat te ver om de hierboven genoemde gebieden waar de Amerikaanse Burgeroorlog zich heeft afgespeeld allemaal te bespreken. Justice heeft brieven die de strijdende soldaten in de onderscheiden gebieden aan het thuisfront schreven en dagboekfragmenten onderzocht op vermeldingen van ontmoetingen met slangen. Ik pluk er enkele opmerkelijke gebeurtenissen uit.

 

Telkens blijkt dat de Unionisten beduchter waren voor slangen dan de Confederalen. Ze prefereerden een gevecht met de tegenstander bóven een ontmoeting met slangen. Zelden spreekt een getuigenis van het omgekeerde (uitzondering op pagina 22). Een poging van uitgeputte soldaten om na een dodelijk vermoeiende mars een verfrissend bad te nemen, werd gefrustreerd door de aanwezigheid van talloze waterslangen. Ze waren op een ‘snake mating ball’ gestuit. Het zien van die talloze slangen traumatiseerde de soldaten zeer, terwijl ze al de ergste gevechten van de Burgeroorlog hadden moeten leveren. Toen soldaten tijdens een marsonderbreking onder een boom lagen te rusten, ontdekten ze een slang in de boom. Ze besloten de slang uit te roken, maar de ouderdom en de conditie van de boom veroorzaakten een brand. De soldaten bestudeerden na afloop van de brand de resten van de slang en ontdekten ‘poten’. De hevige pijn had uitstulping van de hemipenes veroorzaakt, waardoor het leek dat het dier achterpoten had. Even terzijde: misschien is het in ver­gleden tijden wel een dergelijke observatie geweest, die ervoor heeft gezorgd dat er al in antieke en middeleeuwse bestiaria volop sprake is van slangen met poten en dat ze er ook vaak mee zijn afgebeeld. Zijn angst voor slangen inspireerde de Unionistische kolonel Parmele ertoe om de weg waarlangs hij zou moeten optrekken slangenvrij te laten maken. Het geweld dat daarmee gepaard ging, zou de vijand op grote afstand al hebben gewaarschuwd, waaruit maar weer eens bleek dat de Noordelijken beduchter waren voor slangen dan voor de tegenstander. Parmele trok vanwege zijn ofidiofobie ook aanzienlijk langzamer op dan strategisch wenselijk was (pagina 36-37).

 

Waren marsen over land vanwege de slangen erg gevaarlijk voor de Unionisten, degenen die per boot werden vervoerd waren niet veel veiliger. Copperheads en Cottonmouths waren soorten die ook in bomen zaten en die zich op het dek van de schepen lieten vallen. Daar werden ze door matrozen met bezems van de dekken geveegd. Dat was een extra gevaarlijke klus vanwege Confederale scherpschutters (pagina 39).

 

Confederale soldaten bleven overigens niet gevrijwaard van ontmoetingen met slangen. Justice beschrijft een voorval van een groep soldaten die afgedwaald was van de hoofdmacht. De groep besloot te overnachten op een kerkhof en gebruikte de grafstenen als bed. ’s Morgens bleken ratelslangen tegen en op de slapende mannen te zijn gekropen, profiterend van hun lichaamswarmte. Door niet paniekerig te reageren, maar door geduldig te wachten tot de slangen zich hadden opgewarmd en uit eigen beweging vertrokken, kwamen mens én dier probleemloos uit deze precaire situatie. Zo verliep het ene merkwaardige voorval na het andere.

 

Als een ontmoeting tussen mens en slang een beet van de laatste voor de eerste had opgeleverd, waren er volksgeneeskundige therapieën en twee reguliere medische behandelingen mogelijk. Die behandelingen waren meestal gevaarlijker voor de patiënt dan de beet zelf. Eén ervan bestond bijvoorbeeld uit het drinken van een grote hoeveelheid whisky, zodat de patiënt eerder aan een alcoholvergiftiging stierf dan aan de gevolgen van het slangengif.

 

Het voorlaatste hoofdstuk wijdt Justice aan symboliek. Slangen, met name ratelslangen en koperkoppen, blijken dankbare dragers van symbolische betekenis te zijn geweest. De Noordelijken beschouwden de Zuidelijken even verraderlijk en verdorven als de ratelslang. Justice presenteert een behoorlijk aantal politieke prenten en cartoons waarin slangen, zowel positief als negatief, een belangrijke rol vervullen. Maar wat zijn de afbeeldingen toch van een bedroevende kwaliteit!

 

In het laatste hoofdstuk komen de Peace Democrats (‘Vredesdemocraten’) uitgebreid aan de orde. Daarmee werden Noordelijken aangeduid die uit pacifistische overwegingen tegen de oorlog waren. Zij werden gesymboliseerd met de Copperhead: zo moeilijk als een Copperhead vanwege zijn camouflagepatroon was te ontdekken, zo moeilijk lieten de Peace Democrats zich ontmaskeren, ten minste, zo lang ze zich niet openlijk tegen de oorlog uitspraken. Het was interessant om in dit hoofdstuk te lezen over manieren waarop de Zuidelijken met behulp van slangen hebben getracht afbreuk te doen aan de Noordelijken. Zo stuurden zij pakketjes met Copperheads naar Unionistische postkantoren in de hoop er chaos mee te veroorzaken. Eén van de pogingen om president Lincoln te vermoorden, was wel heel bizar: hij kreeg een pakketje met twee Copperheads toegestuurd en het was enkel aan een onhandigheid van een postmedewerker te danken – die liet het pakketje vallen, waardoor de slangen konden ontsnappen – dat de aanslag mislukte.

 

Justice eindigt zijn scriptie met een conclusie. Dat doe ik dan ook maar. Heb ik er goed aan gedaan dit boek een tweede kans te geven? Absoluut. Ik ben veel interessante zaken over de Amerikaanse Burgeroorlog te weten gekomen, ik heb meer inzicht in de toenmalige herpetologische stand van zaken gekregen en ik heb met veel belangstelling nota genomen van de symbolische rol die slangen in de politiek hebben gespeeld. Ik heb me verbaasd over de therapieën waaraan gebetenen onderworpen werden en ik heb postuum nog medelijden met ze. Maar dat alles neemt mijn eerder genoemde bezwaren niet weg. Na lezing kan ik aan die bezwaren ook nog de weinig soepele schrijfstijl van Justice toevoegen. Wat moeizaam gaan sommige formuleringen. En het jammerst van al: ik mis mooie foto’s van ratelslangen, Watermocassinslangen, Copperheads en koraalslangen. Hoe moeilijk kan het anno 2018 zijn geweest om er daarvan enkele op te nemen, opdat een lezer kan zien wie de hoofdrolspelers waren?

 

[1] Lucanus, Pharsalia de Burgeroorlog, 9.850-851; maar dan wel die van Caesar tegen Pompeius, 49 vóór Christus.

 

[2]https://isgeschiedenis.nl/nieuws/dodental-amerikaanse-burgeroorlog-blijkt-veel-hoger-dan-gedacht

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now