HET SLECHTE HUWELIJK

VAN MITHRIDATES EUPATOR

 

 

Inleiding


Koning Mithridates VI Eupator (132 - 63 vóór Chr.) had vermoede-lijk een slecht huwelijk. Dat valt af te leiden uit het feit, dat zijn zuster en tevens vrouw Laodike een (vergeefse) vergiftigingspoging van haar tirannieke man heeft ondernomen. Een aardige aanwij-zing is eveneens, dat Mithridates haar daarna zonder scrupules heeft laten terechtstellen. Zo werden in antieke tijden huwelijks-problemen opgelost (Pauly 1979, 1356; Duggan 1958, 41). Of het deze ervaring is geweest die Mithridates ertoe heeft aangezet uitvoerig studie te maken van de werkzaamheid van allerlei vergiften en - veel belangrijker - hoe die allemaal te bestrijden waren, is histo-risch niet met zekerheid te zeggen. Immers, het was bon ton in die dagen om (politieke) tegenstanders met vergif uit de weg te rui-men: Niet in een aarden pot, maar in een zilveren drinkbeker zul je vergif vinden, vertelt ons de Romeinse satiricus Juvenalis. Duidelijk is wel, dat Mithridates flink last van vergiftigingsvrees heeft gehad. Hij heeft immers de kans dat hij door vergif om het leven zou wor-den gebracht zo veel mogelijk trachten te minimaliseren.

Pontus, het koninkrijk waarover Mithridates regeerde, kende toen-tertijd een rijke medicinale flora. Daardoor werd Mithridates in staat gesteld zich zeer intensief bezig te houden met de toxicolo-gische eigenschappen van de meest uiteenlopende planten. On-danks het feit, dat hij in bijna permanente oorlog verkeerde met Rome, heeft hij toch nog kans gezien uitvoerig over zijn passie te corresponderen met vooraanstaande Romeinse geneesheren zoals Asclepiades. Vanuit andere streken ontving hij van onderzoekers eveneens waardevolle gegevens.

Zo heeft de in Alexandrië werkzame geneesheer Zopyrus hem eens een antidoot gestuurd tegen vergiften en de beten van giftige slan-gen. Mét dit middel stuurde hij een terdoodveroordeelde man mee, op wie Mithridates - 0 tempora, 0 mores - het middel kon testen. Het zou niet uitmaken, of het tegengif vóór of ná de vergiftiging gegeven werd. De terdoodveroordeelde man bofte voor dat mo-ment, want Zopyrus’ middel, dat 21 kruiden en geen mineralen of dierlijke ingrediënten kende, bleek probaat te werken. En op deze voet is Mithridates doorgegaan met zijn empirisch onderzoek: hij vergiftigde zijn slaven met minerale en plantengiften, liet hen door slangen en schorpioenen bijten om de uitwerking en het verloop van de vergiftiging te bestuderen (Engel 1974, 25). Er zijn aanwij-zingen, dat heersers toxicologische en antidotische gegevens met elkaar uitwisselden (Watson 1966, 34).

Mithridates hield zich voornamelijk bezig met onderzoek van sim-plicia. Op deze manier ontdekte hij werkzame middelen tegen de beten van giftige spinnen, schorpioenen en giftige slangen. Uitein-delijk kwam hij op het idee er een samengesteld antidotum van te maken en zo ontwikkelde hij een cocktail van kruiden, waarvan hij dagelijks kleine hoeveelheden innam, samen met eendenbloed, waarvan men aannam dat het ook immuniteit veroorzaakte (Sar-ton 1959, 403). Zo’n cocktail wordt naar hem een mithridatium ge-noemd. Het dagelijks innemen ervan in steeds grotere doses im-muniseerde de gebruiker na verloop van tijd voor de meest gang-bare vergiften en en passant hielp het tegen allerlei andere kwalen.

Ironisch is, dat Mithridates met behulp van het mithridatistische principe zijn vergiftigingsvrees wat heeft kunnen temperen, maar dat hij er tegelijkertijd slachtoffer van is geworden: de grote veld-heer Pompeius wist in 66 vóór Christus een einde te maken aan de overwinningenreeks van Mithridates op de Romeinen en de ver-liezer zag zich uiteindelijk verlaten door iedereen en zich in zijn fort in Panticapaion belegerd door zijn eigen zoon, terwijl er geen hoop op ontsnapping meer was. Ik geef u de meest pikante versie van zijn einde: in zijn wanhoop vergiftigde hij zijn vrouwen, concu-bines en dochters. Toen pogingen om zichzelf ook te vergiftigen faalden, gaf hij een Keltische soldaat opdracht hem te doorsteken. Pompeius trof later in het paleis van de overwonnene een notitie-boekje aan met in diens handschrift voorschriften voor een anti-doot tegen vergiften. Zo kon de rijke toxicologische en antidotische erfenis van Mithridates in Rome terechtkomen.

Terloops zij nog vermeld, dat in Egypte ook de eerzuchtige Cleopa-tra (geboren 69 vóór Christus) vreesde door haar vijanden vergif-tigd te worden. Zij heeft eveneens geëxperimenteerd met vergiften. Van haar verhaalt de historie, dat zij haar vriend Marcus Antonius tijdens een diner de uitwerking van vergif op een slaaf heeft gede-monstreerd (Horstmanshoff 1992, 38). Ook zij had zich geïmmuni-seerd. En net als bij Mithridates kwam bij haar ook het moment, waarop ze zichzelf van het leven wilde beroven. Tegen beter weten in dronk ze de gifbeker, zoals te verwachten was, overleefde ze die. Daarom nam ze een cobra (Naja haje), liet zich door dit dier, dat in die tijd wel vaker werd gebruikt voor executies, in haar borsten bijten, waarna ze stierf.

 


Andromachus
 

Zowat een eeuw later is er nog steeds geen verandering gekomen in de wijze waarop hoogwaardigheidsbekleders van hun tegenstan-ders trachtten af te komen. En nog steeds waren er in Rome keizers die behept waren met vergiftigingsvrees. Nero (37 - 68 na Chr.) was zo’n keizer. Zijn biografie geeft een aardige kijk op de toenmalige omgangsvormen van hoogwaardigheidsbekleders ten opzichte van hun mogelijke rivalen (bijv. Walter 1960; zie ook Sarton 1959, 136). Vandaar dat hij zich van de diensten had verzekerd van Androma-chus, een befaamd geneesheer met een grote kennis van kruiden. Deze lijfarts kreeg van Nero de opdracht een mithridatium samen te stellen, dat zo mogelijk nóg effectiever was dan dat van Mithri-dates. Andromachus verwijderde uit het oorspronkelijke mithrida-tium enkele ingrediënten die hij minder werkzaam achtte en voeg-de er andere aan toe. Zo vermeerderde hij de hoeveelheid opium en - en nu wordt het voor herpetologen interessant - hij voegde er als nieuw bestanddeel addervlees aan toe. Vermoedelijk berustte deze laatste toevoeging op het principe dat heden ten dage nog het be-ginsel van de homoeopathie aangeeft: similia similibus curantur, wat wil zeggen, dat het gelijke door het gelijke genezen wordt. Schouten suggereert, dat het idee van de werkzaamheid van het addervlees meer berust zal hebben op magische overwegingen dan op empirisch onderzoek. Andromachus’ keuze was op de adder gevallen, omdat vroeger verondersteld werd, dat deze slang de minst giftige was (Topsell 1973, 305).

Andromachus noemde zijn middel antidotum mithridaticum en kende het het epitheton ornans galene toe, d.i. ‘rustgevend’. De 54 ingrediënten waren door Andromachus uitgebreid tot 64. Het is eeuwenlang een waar panacee geweest tegen vooral vergiften en venijnen (n.b.: vergif: gif van planten; venijn: gif van dieren) en werd onder meer voorgeschreven als medicament tegen de pest. Maar verder genas het zowat alles: van chronische hoofdpijn, hardhorendheid, slechtziendheid, kortademigheid, bloedspugen, epilepsie, tot leverproblemen (Watson 1966, 46).

De bereiding van antidotum mithridatiucm was geen sinecure. Alleen de beste ingrediënten mochten gebruikt worden en ook voor wat betreft de hoeveelheden waren de voorschriften dwingend. Plinius zou naar aanleiding van de hoeveelheden verzuchten: 'Wie van de goden, in naam van de waarheid, heeft deze absurde hoe-veelheden vastgesteld? Geen menselijk brein zou daar scherp ge-noeg voor kunnen zijn' (Plinius XXIX, viii, 24, 25). Om misverstan-den met de hoeveelheden te voorkomen, schreef Andromachus zijn recepten dan ook in versvorm. Niet alleen dat de metrische eigen-schappen van poëzie hielpen bij het memoriseren van het recept, het was tevens een poging frauduleuze afwijkingen ervan tegen te gaan (Watson 1966, 7).

Strenge voorschriften golden zeker voor zo’n belangrijk onderdeel als het addervlees. Zo mochten deze dieren uitsluitend aan het eind van de lente of vroeg in de zomer gevangen worden. Het gif van de adders zou dan niet zo sterk zijn. Bij voorkeur moesten dié slangen gebruikt worden, die dichtbij zee voorkwamen of bij brak water. Eerst moest de kop eraf geslagen worden, daarna de staart. Beide onderdelen waren namelijk erg schadelijk (Topsell 1973, 305). Hoe groter de adder was, hoe groter de af te hakken stukken moesten zijn. Vervolgens moest het dier gevild worden, moesten de ingewan-den verwijderd worden, en moest de rest boven een rookloos vuur net zo lang gekookt worden, tot het vlees van de beenderen viel. Dit laatste werd fijngestampt, waarna er zeer droog brood van de beste kwaliteit aan toegevoegd moest worden. Dit alles liet men macere-ren, zodat van de verkregen substantie na verloop van tijd pastilles konden worden gemaak. En deze pastilles tot slot vormden het on-ontbeerlijke element in het antidotum mithridaticum. Tijdens het prepareren van het theriak, voegde men er speciale kruiden aan toe om de wrangheid van de overige ingrediënten enigszins te camou-fleren, de voorloper van het letterlijk vergulden van pillen! (Theriak is de naam van dát antidoot dat Watson reserveert voor het middel waarmee voornamelijk de beten van giftige dieren als slangen, schorpioenen, spinnen, dolle honden e.d. bestreden konden worden - Watson 1966, 5).

De bereiding van dit wondermiddel duurde zowat twee maanden, in ieder geval tenminste veertig dagen (een ‘quarantaine’), waarna het rijpingsproces begon dat men stimuleerde door kaneel toe te voegen. Dit proces nam twaalf jaar in beslag. Wie het echter krách-tig wilde gebruiken, kon het middel nemen wanneer het nog maar vijf of zeven jaar oud was. Zelfs na dertig jaar zou het theriak nog werkzaam zijn. In ieder geval was de kracht er na vijftig jaar wel van af (Watson 1966, 49-50).

Behalve de adder, werd ook een andere slangensoort als antidotisch ingrediënt gebruikt. Het is het dier dat bij Topsell ‘tyre’ heet en dat bij Jacob van Maerlant ‘tirus’ wordt genoemd (Topsell 1973, 280; Maerlant 1270, VI, vss 779-806). Volgens eerstgenoemde bestiarium-auteur gaat achter de in Italië tirus genoemde slang de dipsas schuil. De dipsas is mogelijk te identificeren met Cerastes vipera, de avicenna-adder (Van der Voort 1993). Oudere auteurs zeggen, dat er geen uiterlijke verschillen zouden zijn tussen deze twee soorten, maar dat er uitsluitend een biotooponderscheid te maken zou zijn: de dipsas zou voornamelijk in zoute gebieden voorkomen (vandaar dat haar beet drankzucht zou veroorzaken), terwijl de adder meer van droge plaatsen houdt. Topsell preciseert, dat met name in Libië veel dipsades zouden voorkomen, omdat daar veel zoute moeras-gebieden zouden zijn. En dit zou dan tegelijk de verklaring zijn voor het feit, waarom dit dier zo zeldzaam is in Italië. En dat slangen uit een wat zout biotoop geliefd waren als grondstof voor de theriak-bereiding, is hierboven ter sprake gekomen. De antidotische pastil-les die van de tyrus werden gemaakt, heetten trochiscos tyri. Schouten noemt als bijzonder geschikte addersoort voor de berei-ding van pastilles Vipera redii (Schouten 1963, 93). Grzimek en Trutnau vermelden deze slangensoort echter niet (Grzimek 1973; Trutnau 1982). Mogelijk dat bedoeld is Vipera raddei. Hiermee in tegenspraak is echter de uitdrukkelijke mededeling van Schouten, dat Vipera redii toentertijd veel in Italië zou voorkomen, terwijl Trutnau van Vipera raddei niet Italië als verspreidingsgebied noemt (Trutnau 1982, 127).

Theriakzouten
 

Vanwege de lange rijpingstijd van theriak zocht men naar een min-der tijdrovend alternatief. Galenus, een andere Romeinse beroemd-heid, vond dat in de zogenaamde theriakzouten. Opnieuw zijn slangen hierin een onmisbaar ingrediënt. De productie ging als volgt: vang tegelijkertijd vier adders. Houd ze ten hoogste twee dagen. Neem een gallon zout (oude imperiale inhoudsmaat, ± 4½ l), voeg negen geselecteerde kruiden toe in speciale hoeveelheden en mix die met Attische wijn. De helft van het verkregen mengsel doe je in een aarden pot. Stop hier de vier levende adders bij en vijf verse, klein gehakte zeeloken en voeg daarna de andere helft van het mengsel eraan toe. Maak de pot met klei dicht, op vier kleine openingen na om de damp te kunnen laten ontsnappen. Als uit de pot, na op het vuur te zijn gezet, na verloop van tijd een donkere en troebele damp komt, heeft de hitte de adders bereikt. Als die damp ophoudt, is alles goed doorgekookt. De pot laat je dan een dag en een nacht afkoelen. Als dat is gebeurd, pak je de geroosterde sub-stantie, je voegt er kruiden aan toe en je stampt dat alles fijn. Na tien dagen is het theriakzout klaar voor gebruik. Het was weliswaar minder werkzaam dan het Antidotum mithridaticum maar nog probaat genoeg (Watson 1966, 51). 

Overheid

In Italië was het de havenplaats Venetië die zich in het bijzonder had toegelegd op de handel met het Oosten. Daar was dan ook de marktplaats van de kostbare exotische kruiden die voor de theriak-bereiding nodig waren. Omdat slangen een onmisbaar onderdeel waren, gingen de Venetiaanse apothekers - omdat ze te allen tijde ook over dit ingrediënt wilden beschikken - slangentuinen aanleg-gen. Hun trochisci de viperis waren van een zodanige kwaliteit, dat er een certificaat van echtheid bij werd geleverd (Bosman-Jelgersma 1983, 107). 

Dat was ook wel nodig, want de aanvoer van de benodigde bestand-delen was onregelmatig en apothekers konden bij schaarste er licht toe overgaan ingrediënten van niet optimale kwaliteit te gebruiken. Afgezien van gevallen van force majeure, was het ook toentertijd natuurlijk erg verleidelijk minder kostbare surrogaten te ge-brui-ken. 

Venetië was echter niet alleen de haven waar de handelswaren binnenkwamen, maar waar ook de meest afschuwelijke en besmet-telijke ziektes voet aan wal zetten, door zeelui uit verre landen meegebracht (de zwarte dood (pest) kostte in de periode 1348-1350 naar schatting éénderde van de bevolking tussen India en IJsland het leven! - Tuchman 1980, 9). En omdat men meende met het antidotum mithridaticum ook de pest te kunnen bestrijden, die vaak vanuit Italië aan een niet te stuiten opmars door Europa begon, ging de overheid toezicht houden op de bereiding van het enige redmiddel in geval van epidemieën. Ook het volk wilde zich ervan overtuigen, dat het bij medische calamiteiten kon vertrou-wen op de theriak. Bovendien werd het middel vaak profylactisch gebruikt door de rijken.

Om frauduleuze praktijken zo veel mogelijk tegen te gaan, veror-donneerden veel stedelijke overheden, dat theriak slechts onder openbaar toezicht bereid mocht worden. Een voorbeeld uit 1593 van een dergelijke verordening valt te lezen bij Schouten: Ende daer-omme en sal niemandt eene apotheke moghen opstellen dan een apothecar, die in een goede vermaerde apotheke gheleert heeft. En sal oock gheen apothecar moghen maeken theriam Andromachi oft Magnam theriacam Galeni oft Mithridatium, ‘t en sij den apotheca-ris alle de simplicia in haere gewighte stellen bij orden, om die specialijck noch eens van de medicijns der voorsz. steden gevisi-teerd te worden, opdat gheen faute daennne en sij. (Schouten 1963, p. 93)

Onvermijdelijk vonden er vereenvoudigingen plaats van het pretentieuze theriakrecept. Dat betreft zowel de aantallen van de bestanddelen als vervangingen daarvan. slangenliefhebbers zullen het prettig vinden om te horen, dat het addervlees bijvoorbeeld in Nederland na verloop van tijd werd vervangen door egelvlees, iets wat egelliefhebbers wel weer zullen betreuren. Van de bijna zeven-tig ingrediënten, waren er in Leeuwarden in 1712 nog maar negen-tien vereist, in 1795 was er een theriak, samengesteld uit vier be-standdelen. Het Theriaca diatesseron van 1758 werd tot in de twintigste eeuw nog in Bodegraven verkocht, vooral aan boeren voor het vee. In Duitsland werd theriak tot 1882 nog opgenomen in de geneesmiddelenlijst, waarvan het werd afgevoerd, nadat na onderzoeken de volslagen waardeloosheid ervan was gebleken (Zimniok 1984, 146).

Eerder verschenen in Litteratura Serpentium 13 (1993), 123-129.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now