NEDERLAND LEEST

 

JACOBA VAN VELDE, DE GROTE ZAAL

Waarde boekenliefhebbers,

Het zal zowat halverwege het jaar zijn geweest, dat ik in Vrij Nederland las, dat De grote zaal van ene Jacoba van Velde uitverkoren was om verderop in het jaar te dienen als Nederland Leest-boek. Ik las het bericht met gefronste wenkbrauwen. Jacoba van Velde? Kende ik die? Nee dus. En het bleef ‘nee’, ook nadat ik er langer dan een split second over had nagedacht. Ik heb tijdens mijn opleiding aardig wat literatuurgeschiedenissen moeten bestuderen en later heb ik in mijn professionele werk weer andere gebruikt om mijn pupillen mee te pesten, maar ik kon me zelfs niet vaag herinneren dat ik de naam Jacoba van Velde bijvoorbeeld ergens rechts bovenaan in Knuvelder had gezien. En ook niet ergens links onderaan. Er ging werkelijk geen enkele lichtbron branden. Aha, misschien dat het ‘m daarin zit: Jacoba van Velde is de auteur van een bescheiden oeuvre (maar twee romans en nog wat vingeroefeningen). Misschien verdien je pas een plaats in de literatuur-geschiedenissen van Lodewick, Calis, Knuvelder, El Dorado, De Vooys e.d., als je oeuvre wat volumineuzer is. Maar áls dat al een criterium zou zijn, wat doet zo iemand als Nescio dan in een literatuurgeschiedenis? De omvang van diens oeuvre houdt ook niet over. Is het al dan niet vernoemd worden in een literatuur­geschiedenis wellicht afhankelijk van het niveau van literaturigheid van een werk? Mogelijk, maar dan is het helemaal onbegrijpelijk, dat Jacoba van Velde niet vernoemd wordt, want over de kwaliteiten van De grote zaal heb ik alleen maar ronkende recensies gelezen. Ook het aantal talen waarin een werk vertaald is, zou een rechtvaardiging kunnen zijn voor vernoeming in een literatuurgeschiedenis. Ook dan is het vreemd dat Jacoba onvermeld blijft, want van niet zo veel andere boeken uit de Nederlandse literatuur zijn zo veel vertalingen verschenen als van De grote zaal.

Jacoba ging me intrigeren en met toestemming van mijn vrouw heb ik haar ge-durende een tijdje tot middelpunt van mijn gedachten gemaakt. Om te beginnen heb ik de literatuurgeschiedenissen en bloemlezingen die ik in mijn boekenkast heb staan eens tevoorschijn gehaald. Ik vermoed, dat er onder u velen zullen zijn, voor wie de al eerder gevallen naam ‘Lodewick’ geen onbekende is. Diens litera-tuurgeschiedenis heeft generaties van middelbare scholieren ingewijd in ons lite-raire patrimonium en heeft uitgeverij Malmberg rijk gemaakt. Permitteert u mij een klein excurs. Het verhaal ging decennia geleden, dat Lodewick het manuscript van zijn literatuurgeschiedenis eerst aan een uitgeverij in Amsterdam had aan-geboden – ik meen me te herinneren dat het Meulenhoff was - maar die was niet geïnteresseerd. Malmberg in Den Bosch waagde zich wél aan een uitgave en had daar een overweldigend succes mee. Vertegenwoordigers van Malmberg die op boekenbeurzen hun collega’s van Meulenhoff tegenkwamen, zouden die sliep-uiterig iedere keer verteld hebben welke druk van Lodewick recentelijk weer van de persen was gerold. Ik wilde u die anekdote niet onthouden. Maar ik noemde ‘Lodewick’ op de eerste plaats, omdat dat met stip de uitgebreidste literatuur-geschiedenis voor middelbare scholieren is die je maar kunt wensen. Staat iets of iemand niet in Lodewick, dan hoef je al helemaal niet in Calis of El Dorado te kijken.

Afijn, ik heb toch maar de indexen in al die literatuurgeschiedenissen annex bloemlezingen geraadpleegd. En wat ik al dacht, ik heb er geen Jacoba van Velde in aangetroffen. Maar wacht even, ik vergat bijna dat er momenteel een nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur aan het verschijnen is bij uitgeverij Bert Bakker. En het deel daaruit, waarin de periode wordt behandeld waarin Jacoba van Velde actief schrijfster is geweest, is al verschenen. In dit om-vangrijke deel, dat Altijd weer vogels die nesten beginnen heet – een niet te missen allusie op één van de oudste zinnetjes in onze literatuur – gaat de schrijver menigmaal tot in detail in op stromingen, ontstaansgeschiedenissen van werken en biografische gegevens van auteurs. En jawel hoor, op pagina 170 staat Jacoba vernoemd. Let wel: slechts vernoemd. Ze maakt onderdeel uit van een uitgebreide opsomming van vrouwelijke schrijvers. Ze staat daar onder meer tussen Elisabeth Keesing, Marie-Sophie Nathisius en Ida Simons, van wie ik nu, dank zij Nederland Leest, ook voor het eerst hoor. Maar de auteur van dit deel, Hugo Brems, rept met geen woord over Jacoba’s literaire werk, de vele vertalingen van De grote zaal, hij plaatst haar niet op een speciale plaats – hoe bescheiden eventueel ook – aan het literaire firmament van haar tijd. Het lijkt me zo, dat deze omissie bij een volgen-de druk gecorrigeerd zal moeten worden, want een uitverkiezing tot Nederland Leest-auteur is zó prestigieus, dat afwezigheid van zo iemand in een zichzelf res-pecterende literatuurgeschiedenis niet te rechtvaardigen valt. Alleen, de geschie-denis wijst uit, dat dit soort series zelden aan een volgende druk toekomt… Arme Jacoba.

Maar dat er zo weinig over Jacoba en haar succesroman te vinden valt, kunnen we vanavond ook als een voordeel zien. Nu worden we niet gehinderd door alles wat anderen in loop van ruim een halve eeuw over haar gezegd zouden kunnen hebben, en kunnen we ons eigen oordeel vormen. Ik wil daartoe wel een voorzetje geven.

Voor mijzelf zijn de gretigheid waarmee ik alles opzij zet en primaire taken ver-onachtzaam om verder te kunnen lezen in een boek, de snelheid waarmee ik het lees en de hardnekkigheid waarmee het na lezing mijn gedachten en emoties blijft bepalen, parameters die mede mijn eindoordeel vormen. Al die parameters heb-ben voor mij tot het eenduidige oordeel geleid: De grote zaal is een prachtig, in-dringend boek. Misschien zelfs wel té prachtig en té indringend, want het heeft me tegelijkertijd enorm beklemd, het heeft me momenten van ontzetting gegeven, ik ben er nóg banger voor het ouder worden door geworden dan ik al was. Als wat in De grote zaal beschreven wordt mijn voorland is…

Het is interessant om na te gaan, hoe Jacoba van Velde die paradoxale mix van gevoelens heeft bewerkstelligd. Ik denk dat ik daar voor mezelf wel een beetje de vinger achter heb gekregen. Een eerste verklaring voor die onontkoombare indringendheid zou haar keuze voor het meervoudig ik-perspectief kunnen zijn. Door dit perspectief dwingt zij de lezer Geertruide wel heel erg dicht op de huid te zitten. Het is een verstikkend perspectief, dat geen enkele ruimte over laat om te ontsnappen uit de onthutsende belevingswereld van de hoofdpersoon. Aan-vankelijk heeft die helemaal geen greep op de wereld en wij niet mét haar, maar met iedere flard herinnering die terugkomt in haar bewustzijn, neemt háár ont-zetting en die van de le­zer toe. Ik heb zelden de onomkeerbaarheid en de on-ontkoombaarheid van een hulpeloze en hopeloze situatie zo genadeloos be-schreven gezien. Wat moet het vreselijk zijn om slechts die ene uitweg uit de misère te hebben…

Ook als het perspectief verschuift naar dochter Helena, krijgen we als lezer geen schijn van kans om ook maar enige hoop te koesteren. Integendeel. Helena kan door haar persoonlijke omstandigheden vrijwel niets betekenen voor haar moe-der. Terwijl ze ons informeert over haar wederwaardigheden, komen we en pas-sant meer over haar moeder te weten. Beide vrouwen staan voor een mee-dogenloos dilemma. Geertruide zou graag tegenover haar dochter uiting willen geven aan haar wanhoop, maar realiseert zich tegelijkertijd, dat ze het dan voor Helena wel erg moeilijk maakt om haar eigen keuze te maken. Zelfs als ze aan de vooravond staat van het ultieme afscheid, weet ze zichzelf weg te cijferen, zoals ze dat haar hele leven heeft gedaan. Voor Helena geldt precies hetzelfde. Ze realiseert zich maar al te goed waaraan haar moeder behoefte heeft, maar kan daar, door de omstandigheden toe gedwon­gen, niet aan tegemoetkomen. Een emotieloze en rücksichtslose bureaucratie verergert de mensonterende omstandigheden van moeder en dochter alleen maar. Voor beiden is het even wanhopig om enkel el-kaar te hebben en weinig tot niets meer voor elkaar te kunnen betekenen.

De tweede mogelijke verklaring voor de impact die De grote zaal op de lezer heeft, zou de uiterst eenvoudige taal kunnen zijn die Jacoba van Velde hanteert. Marga Minco is daar ook heel erg goed in. In uiterst eenvoudige taal krijgt de lezer een verstikkende hoeveelheid ellende te verwerken. Je komt geen moeilijk woord tegen (wat dat betreft, word je niet wijzer van De grote zaal!). Strikt genomen levert ook de grammaticale bouw van haar zinnen geen problemen op, al ware het te wensen geweest, dat Jacoba van Velde wat uitbundiger met interpunctie was geweest. Vooral het ontbreken van aanhalingstekens bemoeilijkt het lezen van de dialogen en het begrijpen ervan enigszins. Daar staat tegenover, dat net door de verwaar-lozing van de interpunctie er een soort monologue intérieur gesuggereerd wordt. Je krijgt als lezer in dergelijke passages evenmin een mogelijkheid om aan Geer-truide en haar ellende te ontsnappen.

Als derde mogelijke verklaring wil ik refereren aan een zinnetje uit Zwarte rijst van Hans Vervoort. Die laat ergens in deze Indische roman zijn hoofdpersoon zeggen: ‘Kort samengevat zijn levens altijd triest.’ Als Geertruide zo aan het mij-meren is over haar leven – ze heeft er zeeën van tijd voor – leren we haar kennen als een zichzelf wegcijferende echtgenote en moeder, en een bescheiden vriendin en mens. We begrijpen dat ze meer gegeven dan gekregen heeft van het leven, en dat ze slachtoffer is van haar tijd en opvoeding. Dat maakt, dat haar aanwezigheid in het verzorgingstehuis een slechte beloning voor haar verdiensten is. Ook wanneer Geertruide haar eigen situatie opzij zet om zich over te geven aan een beschouwing van haar omgeving, lezen we enkel kommer en kwel. Al die oude vrouwen, de hele dag bezig met achterklap en elkaar het leven zuur maken! Hoe welkom is de dood dan, als de terugweg is afgesloten. Als lezer kun je niet niet begrijpen wat er aan de hand is, ontkom je er niet aan om je eigen leven met dat van Geertruide te vergelijken. En nu maar hopen dat het jouwe wint...

Net als in voorafgaande jaren, hebben in Asten en Someren de leerlingen van het Varendonck-College van het vierde leerjaar VWO en HAVO, allen een exemplaar van het Nederland Leest-boek uitgereikt gekregen. Onder het uitdelen in mijn klassen heb ik mijn hart vastgehouden! Hoe contraproductief gaat dit boek worden? Ik vrees dat je een flink stuk ouder moet zijn dan je in het vierde leerjaar middelbare school bent, om de merites van dit geschenk te kunnen waarderen. De ironie wil, dat mijn collega’s van de vakgroep Nederlands en ik op dit moment bezig zijn met een eerste poging om onze pupillen enige kennis van en waardering voor literatuur bij te brengen. Jacoba van Velde lijkt mij niet de locomotief die de goederentrein van de boekenlijst gaat trekken, ben ik bang. Zoveel compacte existentiële eenzaamheid is teveel voor jonge mensen die eerst nog zo veel andere zaken van het leven moeten ontdekken. De dunte van De grote zaal kan daar niet tegenop.

Hoewel, ik heb in mijn klassen gevraagd wie er grootouders had over wie men zich zorgen maakte. Er gingen een paar vingers omhoog. Desgevraagd kreeg ik te horen dat opa, oma in een verzorgingstehuis zat en steeds meer losraakte van de wer-kelijkheid. Of dat opa, oma weliswaar nog thuis zat, maar zich niet meer zo goed kon redden. Sommige kleinkinderen hebben nu dank zij de literatuur de gelegen-heid om zich in te leven in de emoties waarmee hun grootouders te kampen zou-den kunnen hebben. Ze zouden geprikkeld kunnen worden om ervoor te zorgen, dat het laatste stukje levensweg dat hun grootouders nog af te leggen hebben, niet al te veel hobbels en kuilen meer kent. Als er door dit Nederland leest-boek ook maar één opa of oma is, die minder ongelukkig sterft, omdat kinderen en klein-kinderen Jacoba van Velde’s De grote zaal gelezen hebben, dan is dat een prachtige bevestiging van de juistheid van de keuze van het CPNB.

Tot slot nog dit. Drie weken geleden bezocht ik in de Boscotondohal van het Gemeentemuseum in Helmond de expositie van Gé-Karel van der Sterren. Zoals gewoonlijk eindigde ik mijn bezoek met een in de overdrive uitgevoerde tocht door de ruimte met de vaste expositie op de begane grond. Ik wil mijzelf graag de kans gunnen om met andere ogen naar dezelfde werken te kijken. Doordat er nieuwe ervaringen in mijn humuslaag zijn terechtgekomen, kan het zo maar gebeuren, dat ik met dezelfde ogen anders naar een kunstwerk kijk. Dat leverde een bij-zondere ervaring op. Toen ik, nadat ik op hoge snelheid langs de vertegen-woordigers van Cobra was geracet, terecht kwam in het gedeelte dat gewijd is aan de lyrisch-abstracte werken van de école de Paris, was het net alsof ik ergens met een cursor over een hyperlink was gegaan. Ik trapte op de rem en bekeek de oplichtende naam van dichtbij. Inderdaad, Geer van Velde. Hé, en daar broer Bram. Blijken de broers van Jacoba te schitteren in de collectie Roef-Meelker. Blijk ik die geëxposeerde werken daar al verscheidene keren te hebben gezien, maar was er de uitverkiezing van zus Jacoba tot Nederland Leest-auteur voor nodig, om ze voor mij interessanter te maken dan ik eerder voor mogelijk had gehouden.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now