HARRYW. GREENE

 

SNAKES, The evolution of mystery in nature

 

With photographs by Michael and Patricia Fogden. University of California Press. Berkeley, Los Angeles, Londen, 1997. Prijs: $ 45,-; isbn: 0520200144.

Wie in de Middeleeuwen een boek had gezien en er ook een exemplaar van wilde hebben, moest een scriptorium (schrijfatelier) van een klooster - daar zaten immers de enige mensen die in die tijd konden lezen en schrijven - opdracht geven om er een kopie van te maken. Hoe zo'n boek, dat een kopiist letter voor letter moest overschrijven, er precies uit moest gaan zien, was vervolgens een kwestie van geld: een kopiist beheerste een aantal 'handschriften', van vlot geschreven, dus goedkoop tot arbeidsintensief, dus erg duur; het perkament kon van matige tot uitstekende kwaliteit zijn en hetzelfde gold voor de eventuele illustraties in het boek. Vaak was het zo, dat de kwaliteit van de inhoud al bleek uit de vormgeving van een boek. Welnu, het 2,2 kg zware boek dat Harry Greene heeft geschreven is van een fors formaat, is gedrukt op duur papier, heeft een schitterende lay-out en bevat de mooiste slangenfoto's die ik ooit heb gezien. Bijgevolg zou het, om de hierboven begonnen vergelijking maar even door te trekken, in de Middeleeuwen alleen al vanwege zijn vormgeving tot de kostbaardere handschriften van een scriptorium behoord hebben, dus door de allerbeste kalligraaf van het scriptorium in het duurste lettertype geschreven zijn en vanzelfsprekend op het allerbeste perkament. De kopiist zou een nauw samenwerkingsverband gehad hebben met de meester-illustrator van het klooster en het resultaat zou, na een productietijd van misschien wel een jaar, met gepaste trots aan de opdrachtgever zijn overhandigd. Zo'n luxe uiterlijk was een garantie voor de inhoud. Alleen al het zién zou vanzelf grootse verwachtingen bij een kijker oproepen.

 

In die grootse verwachtingen wordt de koper van Greene's boek, lijkt me, niet gemakkelijk teleurgesteld, want hij krijgt het zeer inspirerende en enthousiasmerende relaas te lezen van iemand die behept is met een liefde voor slangen die menigeen in zichzelf zal herkennen; iemand ook, die eindeloos veel tijd besteed heeft aan het observeren van deze dieren, niet alleen in gevangenschap, maar vooral ook in de vrije natuur, in tal van landen. En daar waren voor mensen zeer vervelende biotopen bij.

 

Greene heeft de inhoud van zijn schitterende boek onderverdeeld in drie grote delen, die ieder weer hun eigen hoofdstukindeling kennen:

Deel 1: Lifestyles, waarin hij zaken bespreekt als: (1) 'Classification and Genera! Biology', (2) 'Locomotions and Habitats', (3) 'Diet and Feeding', (4) 'Venomous Snakes and Snakebite', (5) 'Predators and Defense' en een hoofdstuk (6) 'Behavior, Reproduction, and Population Biology'.

Deel Il: In dit deel laat Greene in acht hoofdstukken de Diversity van de slangenwereld zien.Achtereenvolgens komen aan bod (7) 'Blindsnakes', (8) 'Pipesnakes, Baas, and Other Basal Groups', (9) 'Old World Colubrids', (10) 'New World Colubrids', (11) 'Stiletto Snakes and Other African Enigmas', (12) 'Cobras, Coralsnakes and Their Relatives', (13) 'Seakraits and Seasnakes' en uiteindelijk komen nog aan bod ( 14) 'Vipers, Adders, and Pitvipers'.

Deel 111: Dit deel heeft de titel Synthesis meegekregen, en bevat hoofdstukken als (15) 'Evolution and Biogeography' en (16) 'Snakes and Others: Past, Present, and Future'. Een 'Epilogue', waarin Greene zich afvraagt 'Why Snakes?' besluit zijn magistrale arbeid. Volgen nog een 'Appendix' met 'Systematics and Evolutionary lnference', alsmede de 'Notes', de 'References' en tenslotte de 'Index'. Alle hoofdstukken worden verder nog onderbroken door speciale onderwerpen die Greene behandelt. Op dergelijke momenten gaat hij dieper in op een bepaald aspect van de herpetologie, waarvoor het gewone hoofdstuk een wat minder vanzelfsprekende plaats zou zijn geweest.

 

Ik wil vooropstellen, dat ik de puur wetenschappelijke kant van Greene's werk niet kan beoordelen: ik heb geen laboratorium tot mijn beschikking, ik heb niet over een groot aantal jaren allerlei data verzameld over de meest uiteenlopende slangensoorten, ik ben maar beperkt geïnteresseerd in taxonomie, een onderdeel waar Greene bij tijd en wijlen diep op in gaat. Maar omdat de schrijver als hoogleraar biologie - om precies te zijn integrative biology, wat dat ook precies mag zijn - verbonden is aan de universiteit van Californië, Berkeley, meen ik geen vraagtekens te hoeven plaatsen bij mededelingen die hij blijkbaar na ampele onderzoekingen juist heeft bevonden. Wanneer ik dus bij hem lees, dat alle pythons, boa's en adders voornamelijk vanuit hinderlaag jagen, en ik lees vervolgens een aantal uitzonderingen op deze regel zoals Epicrates gracilis en Agkistrodon contortrix, dan neem ik die uitzonderingen op zijn gezag voor waar aan (pag. 65). Of als hij (op pag. 128) beweert, dat het vrouwtje van Agkistrodon piscivorus zich soms als een mannetje gedraagt om in een zogenaamd rivaliteitsgevecht met een ander mannetje te kijken of de kandidaat een waardig verwekker van haar nageslacht zou kunnen zijn, dan neem ik aan dat daar een observatie van Greene zelf aan ten grondslag ligt, of dat hij zich voor deze bewering minstens gebaseerd heeft op betrouwbaar onderzoek van anderen.

 

Dergelijke interessante mededelingen tref je op elke bladzijden wel een paar aan. Het boek heeft dan ook een zeer grote informatiedichtheid, wat als gevolg heeft dat je het niet tussen de soep en de aardappelen moet lezen: ikzelf heb het hoofdstuk voor hoofdstuk doorgewerkt, met weglating aanvankelijk van de speciale onderwerpen. Dat is telkens een hele kluif geweest, maar wel een lekkere. Zoals uit de inhoudsbeschrijving al bleek, kent het boek tal van invalshoeken. Voor een gedeelte heeft Greene de data van al die onderwerpen verkregen door gedegen laboratorium- en door veldonderzoek. Bovendien heeft hij, gezien de omvang van de literatuurlijst achterin het boek, gebruik gemaakt van de onderzoeksresultaten van nogal wat anderen. Dit waren over het algemeen de onderdelen waarvoor ik al mijn kennis van het Engels heb moeten mobiliseren: grammaticaal niet op het eerste gezicht direct doorzichtige formuleringen, woordgebruik waarvan niet alles in een woordenboek bleek op te zoeken te zijn - althans niet in het mijne en allemaal nogal technisch van aard.

 

Toch heb ik ook aan de 'technische' hoofdstukken veel gehad. Ik geef wat voorbeelden. Ik ben nog steeds bezig met onderzoek naar het intrigerende boek over o.a. slangen dat Jacob van Maerlant, een dertiende-eeuwse, Vlaamse auteur, in zijn Der naturen bloeme (± 1270) heeft geschreven. Dat boek is een vertaling in de toenmalige volkstaal uit het Latijn en laat zien wat men op o.a. slangengebied aan kennis in huis had. Daar zit veel informatie bij waarvan wij nu kunnen zeggen dat al die onderzoekers uit vergleden tijden het niet goed gezien hebben of het ronduit bij het verkeerde eind hebben gehad. Toch ligt het meestal niet zo simpel. Zo valt er bij Maerlant te lezen (zie hiervoor bijv. Van der Voort 1993, 19-20), dat het hart in een slang direct na de hals ligt. Dit gegeven wordt niet bevestigd in bijvoorbeeld Engelmann en Weidensaul, die respectievelijk een foto en een tekening geven waarop te zien is dat het hart op een zekere afstand van de hals ligt. Een eerste gedachte zou kunnen zijn, dat een antieke waarnemer geen geldige observatie heeft gedaan en dat het gegeven dus verkeerd is. Lees ik bij Greene echter (pag. 46 }, dat arboreale slangensoorten het hart dichter bij de kop hebben zitten dan terrestrische, en dat eerstgenoemde soorten het probleem van de moeizame bloedcirculatie vanwege hun verticale biotoop hebben opgelost door deze anatomische aanpassing. Het hoeft niet dé oplossing te zijn, maar mogelijk heeft een eerste, eeuwenlang gekopieerde en daarna lang niet meer geverifieerde waarneming over de slangenanatomie een arboreale soort gegolden.

 

Een tweede voorbeeld wil ik u ook niet onthouden. Maerlant vermeldt van een slang die in het Latijn 'berus' wordt genoemd, een wel erg vreemd gedrag: met gesis lokt deze slang namelijk een lamprei uit het water, waarna er een paring plaatsvindt. In de Latijnse tekst is bovendien sprake van een zeelamprei. Vanwege die paring, zegt Maerlant zijn Latijnse bron na, is een lamprei giftig. In het hoofdstuk over zeeslangen geeft Greene informatie, die, als ze al niet dé verklaring van het gekke gedrag van de berus is, toch minstens een erg interessante invalshoek vormt. Van een bepaald zeeslangengeslacht (Laticauda} vermeldt hij (pag. 237) namelijk, dat het zich voedt met paling. Deze prooidieren hanteren o.a. mimicry in een poging om aan hun predateren te ontkomen. Het lijkt plausibel om te veronderstellen, dat eens is waargenomen hoe een zeeslang van het geslacht Laticauda een paling gegrepen heeft (waarbij men aan een paarpoging heeft gedacht). De gedachte dat de lamprei door de paring giftig zou worden, vindt haar verklaring misschien in de mogelijkheid dat één van de vanwege mimicry op elkaar lijkende dieren - wellicht tot schade en schande van degene die haar oppakte, want zeeslangen zijn immers allemaal giftig - niet de slang léék te zijn, maar het wél was. Bij hetzelfde zeeslangengeslacht Laticauda is waargenomen, dat de dieren buiten het water paren, net zoals de berus en de lamprei dat - volgens de Latijnse en Middelnederlandse tekst - doen. Bij dit alles moeten we ons realiseren, dat de allereerste waarnemingen van dergelijke eigenaardigheden niet in onze contreien gemaakt zijn en dat ze dateren uit een tijd dat onze voorouders, slechts gekleed in berenvellen, weinig andere aandacht voor de natuur hadden dan een culinaire.

 

Zijn dergelijke mededelingen - dat vind ik tenminste - erg interessant, daarnaast telt het boek tal van passages die bepaald indrukwekkend zijn. Mijn primaire belangstelling voor slangen gaat niet direct uit naar schubben tellen en determineren, maar is vooral gericht op hoe de mensheid met deze dieren is omgegaan en nóg omgaat. Ook in dit opzicht heb ik aan Greene's boek mijn hart kunnen ophalen. De mooiste passages in het boek zijn m.i. de momenten waarop Greene in haast literaire taal de ecologie in zijn beschouwingen betrekt. Dat gebeurt op verscheidene plaatsen in het boek, o.a. in hoofdstuk 6 en 16. Biotoopvernietiging, vervolging en uitmoording door mensen bedreigen bijvoorbeeld de Amerikaanse ratelslangenstand in ernstige mate. Misschien heeft u ook wel eens in een t.v.-documentaire de zogenaamde round-ups gezien, waarbij in no time duizenden ratelslangen gevangen worden, die vervolgens in allerlei rodeospelletjes moeten acteren, maar uiteindelijk onthoofd worden, waarbij álle onderdelen van het dier uiteindelijk te gelde gemaakt worden. De honderdduizenden dollars die een dergelijk spektakel een stadje in een weekend oplevert, zorgen ervoor, dat er geen vragen worden gesteld over de ecologische gevolgen voor de streek waaruit de dieren worden weggevangen. Greene is in dit soort hoofdstukken over de gevolgen van dergelijke idioterieën overtuigend: er mag geen moment meer gewacht worden met het geven van (nóg meer) voorlichting over slangen teneinde een stevige mentaliteitsverandering tot stand te brengen, én er moet haast gemaakt worden met het treffen van beschermende maatregelen voor deze fascinerende diersoort. Zijn boek is het best denkbare pleidooi daarvoor.

 

Tot slot nog een woord over de illustraties. Hierboven zei ik al dat ik zelden mooiere slangenfoto's heb gezien. Michael en Patricia Fogden zijn ware kunstenaars. Daarbij kan het niet anders, of ze moeten beschikken over prima apparatuur. Elk nieuw hoofdstuk wordt gemarkeerd met een paginagrote kleurenfoto op een zwarte achtergrond. Mijn favoriete foto hiervan: op pag. 231, een prachtig blauw vlak van golven waarin een Pelamis platurus zwemt. Ze zou niet misstaan als schilderij in een modern interieur. De tientallen andere kleurenfoto's dragen ertoe bij, dat het moeilijk zal zijn nog een slangenboek te publiceren dat qua inhoud en vormgeving dit magistrale werk van Greene naar de kroon kan steken.

 

Literatuur

Engelmann, W-E. en Obst, F-J., Mit gespaltener Zunge. Aus der Biologie und Kulturgeschichte der Schlangen. Leipzig, 1981.

Voort, M. van der, Van serpenten met venine. Jacob van Maerlants boek over slangen hertaald en van herpetologisch commentaar voorzien. Hilversum, 1993.

Weidensaul, S., Snakes of the World. Londen, 1991.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now