DIE MANNEN ZIJN BANG OM HUN VROUW TE ONTMAAGDEN 

De aanleiding
Tijdens lezing van het beroemde verslag van de wereldreis die Jan van Mandeville pretendeerde in de 14e eeuw gemaakt te hebben, stuitte ik op onderstaande passage. Op zijn reis doet deze Middeleeuwse globetrotter onder meer een groot aantal eilanden aan. Op één van die eilanden houden de bewoners er een wel érg merkwaardige gewoonte op na. Ik vertaal het Middelnederlands: 
Daar heerst de volgende gewoonte: als de vrouw voor de eerste keer trouwt, laat haar man een ander met haar slapen om haar haar maagdelijkheid te nemen en ze geven die man die haar aldus defloreert daarvoor een goede beloning, In iedere stad zijn daarvoor bepaalde jongemannen aanwezig die zich met geen andere dingen bezig houden dan met vrouwen hun maagdelijkheid te nemen; die jongemannen heten 'cadeberis', dat wil zeggen 'vaders gek'. Want die mannen zijn er erg bang voor een vrouw te ontmaagden. En wie dat wél doet, stelt zijn leven daarmee in de waagschaal. En mocht het zo zijn, dat een man zijn vrouw 's anderennachts, nadat één van deze jongemannen haar beslapen heeft nog maagd bevindt en dat deze jongeman haar niet ontmaagd heeft - hetzij vanwege dronkenschap, hetzij vanwege andere zaken - dan zal die man een aanklacht tegen hem indienen, dat hij zich niet van zijn verplichting gekweten heeft. (...) Maar vanaf de eerste nacht dat hij haar heeft laten defloreren, bewaakt hij haar zorgvuldig, opdat zij tegen niemand spreekt. En wij vroegen naar het waarom van deze zaak. En men vertelde ons, dat er in oude tijden enkele mannen gestorven waren op het moment dat zij hun vrouw ontmaagdden, want sommige vrouwen hadden een of andere slang in hun lichaam, zodat die mannen stierven. Daarom is het daar hun gewoonte om de vagina van hun vrouw te laten beproeven voordat ze daar zelf aan beginnen. 
(De reis van Jan van Mandeville - vertaling uit het Middelneder-lands; Mandeville Nederlands, 245; Mandeville Engels, 175). 

Mandeville beschrijft een principe van huwelijksbezegeling dat wel erg haaks staat op het 'ius primae noctis' (het 'recht van de eerste nacht') dat landedelen in onze Europese cultuur wel eens voor zichzelf opeisten bij hun vrouwelijke ondergeschikten. Maar meer nog dan het verschijnsel dat een kersverse bruidegom de tweede huwelijksnacht prefereerde boven de eerste en het liever aan een 'beroepsdeflorator' overliet om zijn bruid te ontmaagden is de reden waaróm hij dat deed opmerkelijk: zijn vrouw zou een slang in haar vagina gehuisvest kunnen hebben en de bruidegom liet het graag aan een 'cadeberis' over om dat eventueel vast te stellen. Het lijkt me zo, dat de gedachte aan een dergelijk gegeven zowel bij vrouwelijke als bij mannelijke lezers rillingen veroorzaakt die afgelezen kunnen worden op de schaal van Richter. 

Is dit weer een typisch Middeleeuws fabeltje, waarover je je vrolijk kunt maken vanwege zoveel domheid? Of zit er meer achter? Natuurlijk het laatste, want Middeleeuwers waren beslist niet gek, al denken tegenwoordig sommige mensen van wél. Alleen liggen verklaringen voor gedragingen zoals hierboven beschreven niet voor de hand en is het vaak onmogelijk om alleen vanuit bijvoor-beeld een herpetologische invalshoek een oplossing aan te dragen. 


Nu is het echter zo, dat er nog niet een echt vruchtbare kruisbe-stuiving heeft plaatsgevonden tussen de herpetologie en andere dis-ciplines zoals bijvoorbeeld de psychologie, antropologie, medische wetenschappen (anderszins dan het bestrijden van gifbeten) e.d., een kruisbestuiving die voor de participerende disciplines interes-sante bevindingen zou kunnen opleveren. In het navolgende wil ik het merkwaardige gebruik op Mandevilles eiland wat nader bekij-ken, want vermoedelijk is er - zoals dat al zo vaak gebleken is (zie bijvoorbeeld Van der Voort 1993 en 2001) - een kern van waarheid in het geciteerde relaas te ontdekken, een kern die is uitgegroeid tot een verhaal waarin waarheid en verdichting maar moeilijk van el-kaar te scheiden zijn. Daarbij wil ik gebruik maken van de moge-lijkheden die andere disciplines bieden. Dat ik dat doe zonder daarbij de pretentie te hebben dat ik op de hoogte zou zijn van de laatste ontwikkelingen op die andere gebieden, of dat ik er ook maar een meer dan gemiddelde kennis van zou hebben, wil ik uitdrukkelijk gezegd hebben. 

De eerste invalshoek
Het is, lijkt me, geen al te stoutmoedige veronderstelling als ik denk, dat sommigen een interpretatie van Mandevilles citaat willen geven, die in een voor de vrouwen veroordelende richting gaat: wat een geraffineerde manier om van een eventueel ongewenste echt-genoot af te komen. Voorstanders van een dergelijke theorie kun-nen dan verwijzen naar vergelijkbare zaken in de natuur, want de geslachtsdaad is voor de mannelijke exponent van een koppel niet altijd een uitsluitend aangename aangelegenheid. De zwarte we-duwe (Latrodectus mactans) is daarvan wellicht het beruchtste voorbeeld. Het vrouwtjesdier lokt mannetjes met een geurspoor. Op het mannetje dat het hardst gelopen heeft om bij haar te komen is echter het spreekwoord 'hardlopers zijn doodlopers' van toepassing, want het vrouwtje beloont de winnaar weliswaar met een paring, maar daarna bijt ze hem dood en eet hem op, tenzij het mannetje zich uiterst voorzichtig uit de voeten maakt.

En het vrouwtje van de bidsprinkhaan houdt er dezelfde morbide beloning voor een paring op na: een mannetje kan dan wel in haar armen vallen, maar uiteindelijk komt hij in haar maag terecht. Het vrouwtje start het verorberen van de vader van haar toekomstig nageslacht menigmaal al tijdens de paring zelf: terwijl het achter-eind van haar echtgenoot onverstoorbaar de bevruchting tot stand brengt, begint het vrouwtje hem al bij de kop op te peuzelen (Grzi-mek 1974, II, 143).

Hetzelfde - maar nu hebben we het over een oeroud volksgeloof - overkomt het mannetje van de vipera. Herodotus schreef daar al over:
Zo ook zou er, als de adders en de gevleugelde slangen in Arabia zo talrijk werden als hun natuurlijke vruchtbaarheid mogelijk maakte, voor de mens geen levensmogelijkheid zijn. Maar nu is het zo, dat, als zij zich paarsgewijze verenigen en het mannetje juist aan de ejaculatie toe is, het wijfje, als hij zijn zaad verliest, zijn hals vast-pakt en zich daaraan vastklampend niet eerder loslaat dan wan-neer ze die heeft doorgebeten. Het mannetje sterft op deze wijze, maar het wijfje moet daarvoor op de volgende wijze boeten: de jongen wreken hun verwekker door nog in het moederlijf de baarmoeder door te bijten en zich door haar ingewanden heen vretend werken zij zich naar buiten (Herodotus, III, 109; zie ook Van der Voort 1993, 135-139). 

En ook bij mensen is paren niet altijd een onverdeeld genoegen. Volgens Freud (oké, die heeft ook zijn tegenstanders) zit bij de man in zijn onderbewustzijn castratie-angst: paren is het risico lopen te sterven. In de psychologie kent men dan ook het vagina-dentata-motief, het motief van 'de vagina met tanden', de vagina die de man tijdens de geslachtsdaad berooft van zijn penis, met alle gevolgen van dien voor zijn vruchtbaarheid, voor zijn leven zelfs. Bij de Tsimshian- en Kwakiutl-indianenstammen in Amerika wordt de vulva van een vrouw dan ook afgebeeld als de muil van een ratelslang (Minton 1971, 193).

De psychologische tegenhanger van de mannelijke castratie-angst is de vrouwelijke penisnijd: vrouwen zouden jaloers zijn op man-nen, omdat ze het gevoel hebben gecastreerd te zijn. Bijgevolg zouden ze er altijd op uit zijn om mannen van hun penis te be-roven (Carver & Scheier 1996, 219). Ik wil u die suggestieve tekening die de overleden cartoonist Yrrah hier in het weekblad 'Vrij Nederland' over gemaakt heeft niet onthouden. 

 

In ieder geval bestaat er ook heden ten dage nog een medisch-sexu-eel probleem dat de daadwerkelijke voedingsbodem voor deze ang-sten zou kunnen zijn: (psychisch) vaginisme heeft een penis capti-vus tot gevolg en dat moet - naar ik mij heb laten vertellen - een onaangename, pijnlijke ervaring voor beide betrokkenen zijn. Va-ginisme is een pijnlijke kramp van de vagina die veroorzaakt kan worden door ontsteking of plaatselijke overgevoeligheid van de va-gina, en die, in geval er sprake is van de psychische variant, ook het gevolg kan zijn van bijvoorbeeld een hartgrondige aversie tegen de partner (Coëhlo 1986, 788). 

Met deze gegevens vanuit verscheidene disciplines zou men staan-de kunnen houden, dat de vrouwen over wie Mandeville verhaalt in het slechtste geval van (poging tot) moord beschuldigd zouden kun-nen worden; wie gunstiger over hen denkt, wijst op de medisch-psychologische problemen die de vrouwen met een hun - denk aan het principe van het uithuwelijken - opgedrongen partner zouden kunnen hebben. Maar er is méér. 

De tweede invalshoek
Het is opmerkelijk, hoe belangrijk de slang in vroeger tijden voor de mensheid is geweest. In tal van culturen speelt zij bijvoorbeeld een belangrijke rol bij het ontstaan van de wereld, bij de instandhou-ding ervan; in religieus opzicht heeft de primitieve mens haar god-delijke kwaliteiten toegedicht en op medisch gebied is haar rol moeilijk te overschatten (zie o.a. Howey 1955, Schouten 1963); in juridische aangelegenheden heeft zij haar bijdrage geleverd (zie Van der Voort 1993, 23-26; Van der Voort 1996), en ook op sexueel ge-bied blaast de slang haar partij behoorlijk mee (het is ironisch te noemen, dat het dier dat een zo onmiskenbaar erotisch-manne-lijke symboliek kent, in het Nederlands in grammaticaal opzicht van het vrouwelijk geslacht is). En van die sexuele connotatie komt een lezer van antieke werken bijna tot vervelens toe voorbeelden tegen. Ik geef een (zeer beperkte) bloemlezing. 

 

Zo was het vermoedelijk in het jaar 357 voor Chr., toen Olympias, echtgenote van de Macedonische koning Philippus, zwanger raakte. Het gepaste aantal maanden later werd haar zoon Alexander geboren, die tijdens zijn leven zijn bijnaam 'de Grote' meer dan waar zou maken. Olympias moet een temperamentvolle vrouw zijn geweest. Zij gaf zich tenminste met fanatisme over aan de Orphi-sche mysteriën, waarbij zij danste met tamme slangen om hals en hoofd.

Dat Alexander zo'n beroemdheid is kunnen worden, heeft onder meer te maken met zijn verwekking. Olympias was weliswaar met Philippus getrouwd, maar dat wil geenszins zeggen, dat hij daarom ook de vader van Alexander was. Olympias' relatie met slangen ging immers wel heel erg ver. Als we de Griekse historieschrijver Plu-tarchus mogen geloven dánste Olympias niet alleen met slangen, maar deelde zij ook haar echtelijke sponde met hen. Zij is daar tenminste een keer met een draak aan haar zijde aangetroffen, een omstandigheid die ervoor gezorgd heeft dat Philippus daarna op gepaste afstand van zijn vrouw is gebleven (Plutarchus, 12-13).

De draak die als splijtzwam in Philippus' huwelijk heeft gefunc-tioneerd was de gevluchte Egyptische farao Neptanabus. Hij had zich met behulp van magische krachten in een schitterende drakengedaante, met een kam als een kroon op zijn hoofd, toegang verschaft tot het bed van Olympias en zich als een god aan haar gepresenteerd. Geen wonder dat Olympias erg gewillig werd.

In de klassieke literatuur treft men bij herhaling dit soort merk-waardige bevruchtingen aan. Oppergod Zeus had hierbij zelf het goede voorbeeld gegeven. Hij bezwangerde immers in slangen-gedaante zijn zuster Demeter, de Griekse godin van het koren en de landbouw en als zodanig ook een vruchtbaarheidsgodin. Demeter, die slangen als haar heilige dieren beschouwde, baarde na verloop van tijd haar dochter Persephone, de godin die de Romeinen Proserpina noemden, wat afgeleid is van het Latijnse werkwoord 'proserpere', dat zoveel betekent als 'tevoorschijn kruipen' (vgl. 'serpent' en Walter Getreuer's 'Serpo').

En wat te denken van de Romeinse koning Faunus: die zocht zijn toevlucht eveneens tot een herpetologische gedaanteverandering toen zijn dochter Bona Dea niet toegaf aan zijn erotische, dus in-cestueuze, toenaderingen: eerst tuchtigde hij haar met een mirte-tak, maar ze bleef standvastig; vervolgens bracht hij haar onder invloed van wijn, maar ook deze poging was weinig succesvol. Pas toen hij een slangegedaante had aangenomen, was ze hem ter wille (Der Kleine Pauly I, 925-926).

Er is zelfs een volk dat de toepasselijke naam van Ophiogenis draagt. Dit volk is voortgekomen uit de bijslaap van Halia, dochter van Sybaris, met een immens grote, goddelijke slang. Deze slang huisde in de grot van Artemis in Phrygia (Aelianus, XII, 39). Goden die oorspronkelijk niets met slangen van doen hadden, namen toch vaak een slangegedaante aan, omdat hun gebleken was dat weer-spannige vrouwen op die manier gemakkelijker te verleiden waren. 

Voor de vroegste mens was de slang een mysterieus dier: ze be-schikte door haar giftigheid over leven en dood. Ook vernieuwde ze regelmatig haar huid. Door dit laatste bleef ze eeuwig jeugdig. Geen wonder dan ook, dat de primitieve mens het ritueel van de pe-riodieke vervelling aangreep om eveneens de onsterfelijkheid te verwerven: ook hij offerde een deel van zichzelf op om eeuwig jeugdig te blijven. Het lichaamsdeel bij uitstek dat hiervoor in aanmerking kwam was zijn penis. Niet alleen vertoonde dit li-chaamsdeel qua uiterlijk enige overeenkomst met een slang en kon het zich, net als cobra's, oprichten, er ging eveneens een magische, d.w.z. leven brengende kracht van uit. Vandaar dat hij zijn voor-huid offerde in een poging de slang te evenaren en zodoende on-sterfelijkheid te verwerven (Egli 1982, 58 e.v.; Minton 1971, 194-195). Het is dan ook niet zo vreemd, dat men in het klassieke volksgeloof fallus en slang als synoniem is gaan beschouwen (Küster 1913, 149 e.v).

Zo is de opvatting te begrijpen, dat - in het bijzonder onvruchtbare - vrouwen niet alleen vruchtbaar, maar zelfs ook zwanger gemaakt zouden kunnen worden door een slang. In de Sabazios-cultus (Sa-bazios, Phrygisch-Thracische god van de vegetatieve vruchtbaar-heid - zie Pauly IV, 1478-79; Küster 1913, 148) gebeurde het, dat tij-dens de eredienst vrouwen een levende slang - of een gouden af-beelding daarvan - onder hun gewaad doortrokken in de veron-derstelling dat de slangengod op die manier hun vagina kon bin-nendringen. In India zou dit zelfs heden ten dage nog letterlijk gebeuren: vrouwen zouden gedurende het jaarlijkse slangenfestival levende cobra's aanmoedigen hun vagina binnen te kruipen in de veronderstelling dat deze handeling voor de vruchtbaarheidsgod Shiva aanleiding zal zijn hun een vruchtbaar jaar te schenken (Minton 1971, 194; ik heb overigens geen bevestiging van Minton's bewering kunnen vinden).

In Transvaal, Zuid-Afrika, circuleren legenden waarin pythons een belangrijke rol spelen bij de conceptie: in één legende is er sprake van een python die met twee vrouwen trouwt en in een andere wordt verhaald hoe in iedere baarmoeder een python leeft. Bij de Venda-stam imiteren jonge meisjes in een vruchtbaarheidsdans de python: zij vormen, door achter elkaar te gaan staan en elkaar bij de ellebogen vast te houden, een lange rij, en dansen langzaam rond een vuur op een wijze die doet denken aan de majestueuze bewegingen van een python (uitzending Discovery Channel, The Ultimate Guide: Snakes, zondag 18 mei 1997, 23.00-00.00 uur).

En tot slot nog even terug naar de klassieke oudheid: vrouwen die zich op de heilige bodem in de aan Asklepios gewijde tempel in Epi-dauros neervlijden en in hun dromen door slangen bezocht wer-den, geloofden, dat de kinderen die ze hierna baarden verwekt waren door deze slang, dus door Asklepios zelf. En het kon dan ook niet anders, of de aldus verwekte kinderen zouden wel heel bijzondere kinderen moeten worden - kijk maar naar Alexander de Grote (Küster 1913, 151).


Besluit
De door de tweede invalshoek mogelijk geworden interpretatie van de handelwijze van Mandevilles eilandbewoners is mij het sympathiekst: er lijkt mij geen sprake te zijn van perversiteit, of van een geraffineerde wijze van moorden. Naar mijn idee hebben we te maken met een oeroud vruchtbaarheidsritueel. In plaats van de vrouwen op Mandevilles eiland te beschouwen als mannenhaat-sters die een wel erg bizarre manier gevonden hebben om van een ongewenste echtgenoot af te komen, hebben we eerder te maken met vrouwen die houden van hun man en die hem een gezegend aantal kinderen willen schenken. Daarbij gaan ze zo ver, dat ze het symbool van de vruchtbaarheid - een symbool waar mensen van de moderne Westerse wereld alleen maar van kunnen huiveren - toegang hebben verschaft tot de plaats die nadrukkelijk betrokken is bij hun vruchtbaarheid. Zouden we deze vrouwen moeten be-schouwen als lijdsters aan penisnijd, dan lijkt het mij in de rede liggen, dat de mannelijke eilandbewoners een gepaste straf hadden gevonden voor de vrouwen die een slang toegang tot hun vagina hadden verschaft. Mandeville verhaalt immers wél wat een in gebreke gebleven 'cadeberis' te wachten staat. Maar over 'schuldige' vrouwen rept hij met geen woord!


Bibliografie
Aelianus, On the characteristics of Animals. With an English Translation by A.F. Scholfield. London, 1972. Loebserie. XII, 39. 
Carver, Ch. & Scheier, M., Perspectives on Personality. Boston, 19963. 
Coëhlo, M. & Kloosterhuis, G., Zakwoordenboek der geneeskunde. Amsterdam, 1986. 
Egli, H., Das Schlangensymbol. Geschichte, Märchen, Mythos. Wisschenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 1982. 
Grzimek, B., Het leven der dieren. Deel II. Utrecht, 1974. 
Herodotus, Historiën, III, 109. Vertaling dr. O. Damsté. Fibula Klassieke Reeks. Haarlem, 1978. 
Howey, M.O., The encircled serpent. A study of serpent symbolism in all coutries and ages. New York, 1955. 
Kleine Pauly, Der. Lexikon der Antike in fünf Bänden. Auf der Grundlage von Pauly's Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft unter Mitwirkung zahlreicher Fach-gelehrter bearbeitet und herausgegeben von Konrat Ziegler und Walther Sontheimer. München, 1979. 
Küster, E., Die Schlange in der griechischen Kunst und Religion. Giessen, 1913. 
Mandeville, De reis van Jan van Mandeville. Naar de Middelnederlandsche handschriften en incunabelen.Vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Uitgegeven door Dr. N.A. Cramer. Leiden, 1908. 
Mandeville, The travels of sir John Mandeville. Translated with an introduction by C.W.R.D. Moseley. Penguin Books. London, 1983. 
Miller, H., 'The cobra, India's Good Snake'. In: National Geographic, Vol. 138, no. 3, September 1970, pag. 393. 
Minton, Sh. & Minton, M., Venomous Reptiles. London, 1971. 
Plutarchus, Alexander de Groote. Uit het Grieksch door dr. B.H. Steringa Kuyper. Tweede druk, herzien door dr. M. Th. Hillen. Zutphen, 1927. 
Schouten, J., De slangestaf van Asklepios, symbool der genees-kunde. Amsterdam, 1963. 
Sinha, B., Serpent Worship in Ancient India.New Delhi. 1979. 
Voort, M. van der, Van serpenten met venine. Jacob van Maerlant's slangenboek hertaald en van herpetologisch commentaar voorzien. Hilversum, 1993. 
Voort, M. Van der, 'Herpetologische Sprokkelingen deel 6, Over slangen en vadermoordenaars'. In: Litteratura Serpentium, Vol. 16, 134-137. 
Voort, M. van der, Dat seste boec van serpenten. Een onderzoek naar en een uitgave van boek VI van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme. Hilversum, 2001

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now