DE COMEBACK VAN ARENDSOOG

■ Van de meeste gebeurtenissen in je leven kun je pas achteraf vaststellen dat ze de status van mijlpaal hebben. Van de vele mijlpalen die mijn leven inmiddels voorzien hebben van ankermomenten, is die van Sinterklaas 1958 een belangrijke voor me. Ik was negen. Sinterklaas was, net als de voorafgaande jaren, op surpriseavond zijn cadeautjes niet persoonlijk komen overhandigen, maar had zijn Tafelpiet de milde gaven voor mij en mijn broer 's nachts netjes laten uitstallen op de huiskamertafel, waarvan de oppervlakte nauwkeurig met behulp van pepernoten in twee helften was verdeeld. Behalve een door mijn moeder eigenhandig genaaid cowboypak met -hoed, koppelriem met holster, een klapperpistool met munitie voor zeker een dag, kreeg ik van de Goedheiligman het eerste deel van de Arendsoog-serie. Arendsoog, had de geestelijke vader, Jan Nowee, die in juni van datzelfde jaar op zevenenvijftig-jarige leeftijd overleden was, simpelweg als titel bedacht. Hij had het boek weliswaar al in 1935 geschreven, maar de inhoud paste nog prima in de tijdgeest van mijn jeugd. De hoofdpersoon was vernoemd naar één van zijn zonen: Bob (Zie voetnoot 1).

Omdat het winter was, kwam het er diezelfde dag niet van om in cowboymetamorfose samen met mijn eveneens door Sinterklaas van wapens voorziene buurjongens onze nieuwbouwbuurt op te schrikken met bankovervallen, oorlogen tegen indianen en het redden van onschuldigen uit de handen van meedogenloze schurken. Maar gelukkig hield ik van lezen en kon ik de winterse kou in Nederland enkele uren ontvluchten door samen met Arendsoog en zijn rode vriend naar het veel warmere Arizona te gaan. Er kwamen moeilijke woorden voor in Arendsoog, woorden waar­van ik later begreep dat het Engelse woorden waren. 'Lightfeet' sprak ik uit zoals het er stond, net als 'Mining-Valley' en al die andere vreemde namen die nog niet in de mond pasten van een lezer die pas op de middelbare school in aanraking zou komen met het Engels. Ik zat toentertijd in de vierde klas van de lagere school, bij broeder Ambrosius, en van hem leerde niet alleen ík hoe het fan­tastische paard van Arendsoog in werkelijkheid heette. Broeder Ambrosius vond dat zijn klas het verdiend had om de laatste tien minuten van elke schooldag voorgelezen te worden en hij willigde mijn verzoek om daar Arendsoog voor te gebruiken met plezier in. We hingen aan z'n lippen. Toen ik zijn uitspraak van al die moeilijke woorden hoorde, was het net alsof hij een ander boek voorlas, eentje dat ik nog niet al drie keer had ver­slonden. Arendsoog sprak zeer tot de verbeelding van het vierde klasje, dat bleek wel uit de bijna tastbare aandacht waarmee de klas telkens luisterde.

Onze nieuwbouwbuurt, eentje zoals er in die tijd zoveel gebouwd werden in het kader van de wederopbouw van Nederland, was allesbehalve af. Daardoor vormde zij met haar vele, nog te bebouwen open plekken, met een heus stukje wildernis waarin een klein beekje stroomde dat zich in de fantasie van al die jonge belhamels gemakkelijk in de machtige verdwenen rivier van deel 7 van de Arendsoog-serie liet veranderen, een geweldig decor, waarin de vele Arendsoog-fans die onze buurt rijk was ruim baan konden geven aan hun kinderlijke verbeelding. Omdat Arendsoog ook een zus had, was het een buurmeisje af en toe genadiglijk toegestaan om zich door de door het lot aangewezen schurken gevangen te laten nemen en zich door de helden van die dag weer te laten bevrijden. Dat uit deze snode ontvoeringen en dappere reddingen de eerste prille liefdes ont­stonden tussen het omwille van haar schoonheid uitverkoren slachtoffer en de stoere held, laat zich gemakkelijk voorstellen.

Tja, op deel 1 volgde natuurlijk deel 2, genoemd naar Witte Veder, de sympathieke indiaanse vriend van Arendsoog, die in het laatste deel van de serie nog net zo gebrekkig de taal van zijn blanke vriend sprak als in deel 1. Mijn voornaamste levensdoel in die tijd was zo snel mogelijk in het bezit komen van alle reeds verschenen Arendsoog-delen. Mogelijk ligt hier de kiem van mijn neiging om, eenmaal aan een serie begonnen, álle delen ervan in bezit te krijgen. Al het geld dat ik als negenjarige bij elkaar kon scharrelen bij mijn ouders en familieleden, verdween daartoe in mijn spaarpot. Als het me te lang duurde voordat ik de vereiste ƒ 2,90 voor een nieuw deel bij elkaar had, telde ik soms, tijdens het zondagse bezoek aan mijn grootouders, in aanwezigheid van een flinke schare ooms en tantes, demonstratief welk bedrag ik al had, rekende omstandig uit hoeveel ik nog nodig had, en verzuchtte luidruchtig hoe lang het nog zou duren voordat ik het vereiste aankoopbedrag beschikbaar had. Dit alles in de hoop dat een tot medelijden bewogen familielid in z'n broekzak schoot om me het ontbrekende bedrag toe te stoppen.

Als de demonstratie van mijn ontluikende bibliofilie succes had gehad, ging het 's anderendaags als een haas naar de dames De Rijdt-Simons op de Kromme Steenweg in Helmond, waar alle tot dan toe verschenen delen in voorraad stonden. Wie van de twee zussen me ook hielp, beiden spraken me aan met 'jongeheer' – een aanspreking waarvan ik ging gloeien van trots – beiden wisten waarvoor ik kwam. Vaak wisten ze zelfs welk deel ik de vorige keer had gekocht, en welk deel bijgevolg nu van eigenaar moest verwisselen. Toppunt van zaligheid was mijn eerstvolgende verjaardag. Mijn moeder had ooms en tantes goed geïnstrueerd en was zelf niet in gebreke gebleven. Stapels Arendsogen kreeg ik cadeau.

Het werd al snel tijd voor een adequate opbergplaats voor 'al mijn boeken'. Mijn vader had daartoe, daags voor mijn tiende verjaardag, terwijl ik op school zat, als voorbereiding voor de presentatie van een dergelijk cadeau, alvast twee gaten boven het hoofdeinde van mijn bed geboord – indertijd ging dat nog met vuisthamer en handsteenboor, die je al draaiend tikken op z'n kop diende te geven. Later die avond, terwijl ik al sliep, hingen mijn ouders het Tomadoboekenplankje stilletjes op. Ik was verrukt toen ik 's morgens de delen van Arendsoog-die-ik-al-had keurig op nummer gerangschikt aantrof. Er was nog plaats voor de delen-die-die-dag-nog-zouden-komen, maar al gauw moest er een rekje bijgehangen worden.

In de jaren die volgden, heb ik niet meteen élk nieuw deel van Arendsoog aangeschaft, waardoor het kon gebeuren dat nogal wat nummers niet meer via de reguliere boekhandel beschikbaar waren, toen ik de lacunes wilde opvullen. Dat dwong me m'n toevlucht te zoeken tot antiquariaten, waar de boeken overigens goedkoper bleken te zijn dan in de boekhandel. Uiteindelijk werd het een hele sport om ontbrekende delen te ontdekken. In mijn portemonnee had ik een briefje zitten met de nummers die nog mankeerden, met behulp waarvan ik kon voorkomen dat ik doublures in huis haalde. Antiquaar Jacques Visser, toentertijd nog woonachtig in Deurne, bracht me op een avond, halverwege de jaren negentig, de laatste twee delen die nog aan mijn collectie ontbraken. Hij was alleen zo onverstandig geweest om tegen de collega bij wie hij die delen had aangetroffen, te zeggen dat het de laatste twee waren die ik zocht. Waarop die collega fijntjes opmerkte, dat ik er dan ook wel de dubbele prijs voor wilde betalen. Dat bleek hij goed ingeschat te hebben. Jacques was er maar wat verlegen mee dat hij zo loslippig was geweest, maar ik had eindelijk mijn serie compleet.

Toen Jan Nowee in 1958 overleed, was hij halverwege deel 20, Arendsoog en de goudkoorts. De uitgever verklaarde in een kort voorwoord van dit deel, dat zoon Paul zo vriendelijk was geweest om het avontuur te completeren. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw maakte ik kennis met Paul Nowee en raakte bevriend met hem. Deze kennismaking kon plaatsvinden, nadat hij welwillend was ingegaan op mijn verzoek een delegatie van de redactie van de schoolkrant van het toenmalige College Asten-Someren een interview toe te staan. Op de afgesproken zaterdagochtend laadde ik dan ook twee schoolkrantredacteuren, Ron en Mirjana, in mijn auto. Zij moesten dienen als dekmantel voor de bevrediging van mijn particuliere verlangen om kennis te maken met de auteur die er met zijn boeken voor had gezorgd dat ik zo'n romantische jeugd heb gehad.

In de Statenlaan – niet de minste buurt van Den Haag – trof ik niet de forse man aan waartoe mijn verwachting de schrijver naar analogie van de geweldenaar Arendsoog had uitvergroot, maar een fragiele, kleine man, qua fysiek het tegenovergestelde van het idool uit mijn jeugd. Maar Paul Nowee bleek een uiterst aimabele, gastvrije man te zijn. Hij ging er eens goed voor zitten en genoot zichtbaar van de vragen die we op hem afvuurden en hij antwoordde uitvoerig.

We kregen een amusant verhaal van hem te horen. Uitgeverij Malmberg vond twintig delen van Arendsoog een prachtig aantal en wilde de serie, nu de geestelijke vader er toch niet meer was, beëindgen. Paul Nowee, die op het seminarie zat toen zijn vader stierf, had echter de smaak van het schrijven te pakken en zou, nadat hij deel twintig had voltooid, niet meer naar het seminarie terugkeren. Schoorvoetend ging de uitgeverij ermee akkoord, dat hij nog enkele delen zou schrijven, om bij deel vijfentwintig weer te besluiten dat het welletjes was. 'Dat is prima,' zei Paul, 'dan ga ik naar een andere uitgeverij.' Nou, dat hoefde ook weer niet. 

Malmberg gaf de delen zesentwintig tot en met dertig overigens niet helemaal meer met tegenzin uit, want de zoon bleek de vader qua penvaardigheid naar de kroon te steken, gelukkig wat gedoseerder met het katholicisme te strooien en onmiskenbaar aardige plots te kunnen uitwerken. Bovendien prikkelde elk nieuw verschenen avontuur van het onafscheidelijke tweetal veel lezers tot aanschaf van eerder verschenen delen. Paul noemde deel 1 de duw- en een nieuw verschenen deel de treklocomotief van de serie. Na deel dertig heeft Malmberg Paul Nowee nooit meer gesuggereerd dat het afgelopen moest zijn met Arendsoog.

In het jaar dat ik kennis met hem maakte, 1992, waren er maar liefst meer dan vijf miljoen exemplaren uit de Arendsoog-serie verkocht. En ook ver buiten de landsgrenzen was de faam van Arendsoog en zijn rode vriend doorgedrongen. Paul vertelde met trots - en ook wel met ingehouden woede - dat hij recentelijk een Frans-Canadese film had gezien waarvan de plot identiek was aan het avontuur dat Arendsoog en Witte Veder in deel 37, Arendsoog zet een val, tot een goed einde hadden gebracht. Hij werd niet vernoemd in de aftiteling, laat staan dat hij er royalties voor had gekregen.

Tegen het eind van ons bezoek legde hij me uit waarom ook hij genoten had van onze belangstelling. Er heerst(e) veel kinnesinne in de wereld van jeugdboekenschrijvers. Paul Nowee was bijvoorbeeld altijd vaste gast tijdens de boekenmarkt op Holland Spoor in Den Haag, maar werd amper geáccepteerd, eerder nadrukkelijk genégeerd door zijn collega-jeugdboekenschijvers, van wie velen vonden dat hun eigen schrijfsels het niveau van gedateerde avonturenromans over cowboys en indianen ver te boven gingen. Hij maakte er zich warempel nóg druk over, toen hij er weer aan terugdacht. Maar al gauw hield hij zichzelf weer in. Hij kon zich een dergelijke opwinding niet meer permitteren, daar hij recentelijk geopereerd was aan een aneurysma in zijn hoofd of hals, daar wil ik van af zijn. Ik had sterk de indruk, dat ons interview voor hem een zekere erkenning inhield. Hij heeft overigens zijn moment suprême beleefd, toen hij tijdens een boekenmarkt in de Amsterdamse Bijenkorf – ik geloof ergens eind jaren tachtig – de meeste boeken van alle aanwezige schrijvers bleek te hebben verkocht. Zijn collega-auteurs waren not amused. Ter afsluiting van ons bezoek, kregen we alledrie een Arendsoog-deel mee. Ron en Mirjana een van de middelste uit de serie, de meester het op dat moment laatst verschenen deel, Lightfeet ontvoerd!. Hij zette er natuurlijk eerst nog iets aardigs in.

Toen ik Paul Nowee niet al te lang na onze eerste ontmoeting opnieuw bezocht, bleek hij van zijn uitgever een computer te hebben gekregen. Hij was bezig aan wat schrijvers graag hun voorlaatste boek noemen, maar wat voor Paul écht zijn laatste zou worden: Arendsoog… premiejager?. Hij had als tic bij het schrijven – elke zichzelf respecterende schrijver heeft er wel een, daar zijn erg leuke bij! – dat hij nóóit een velletje papier in zijn schrijfmachine wilde laten zitten: hij had een enorme hekel aan gekrulde papieren op z'n bureau. Aan het einde van zijn werkdag wilde hij de getypte A4'tjes op een keurige stapel op de linker bovenhoek van zijn bureau deponeren. De computer bracht de klad in dat ritueel.

In de korte tijdspanne die er zat tussen ons eerste en dit vervolgbezoek, viel het me op dat Paul er niet goed uitzag. Ik begreep uit zijn woorden, dat hij een tijdje vóór onze eerste kennismaking niet alleen een ingrijpende operatie vanwege het eerder genoemde aneurysma had ondergaan, maar ook al een tijdje een stevige strijd tegen kanker aan het voeren was. Tijdens het interview voor de schoolkrant had hij daar met geen woord over gerept. Het bleken zijn laatste schermutselingen tegen het onafwendbare te zijn. Bij het afscheid kreeg ik weer een ontbrekend deel van hem. Ik zou hem niet meer terugzien.

Hoe vaak heb ik de hele serie gelezen? Ik zou het niet precies weten. Sommige delen moet ik zeker tientallen keren gelezen hebben. Daarbij ging het uiteraard al lang niet meer om de plot van het verhaal, die kon ik wel dromen, maar om het metempsychotische, het zielsverhuizende effect dat herlezing met zich meebracht. Als ik deel 3, Het raadsel van de Mosquito Vallei, dat ik in 1959 onverwacht van mijn oma had gekregen, herlas, werd ik teruggeflitst naar het moment dat ik het weekend bij haar ging logeren en zij als verrassing deel 3 voor mij had klaarliggen. 's Avonds mocht ik, bij de gezellig brandende kachel, eerst mijn boek uitlezen, voordat ik naar bed moest. De vertrouwde aanwezigheid van mijn grootouders, de gezellige warmte van het roodbuikige kacheltje, het late van het tijdstip, dat alles herbeleefde ik, als ik weer las hoe Arendsoog de corrupte sherrif van Canon-City ontmaskerde. Evenzo bracht herlezing van Het raadsel van de C-ranch me terug bij Paul Nowee en zijn papieren biotoop. Paul had voor dit deel een grote voorliefde en tijdens het schoolkrantinterview had hij er met passie over verteld. Zo kleeft er aan elk van de delen wel een bijzonderheid, zodat herlezing telkens een emotionele ervaring was.

Ik ging een jaar of acht geleden gedeeltelijk in Frankrijk, in het Picardische stadje Nesle wonen. In het indrukwekkende, authentieke maison de maître was een prachtige kamer die mijn vrouw en ik inrichtten als bibliotheek. Ik sleepte er honderden boeken, waaronder de complete Arendsoog-serie naar toe. Samen met de Karl May-serie besloegen de 64 delen van Arendsoog de bovenste drie meter van de wand. Wanneer er gasten waren, reageerden die vaak enthousiast op de complete Arendsoog-serie. Velen waren vroeger óók fan van Arendsoog geweest en vonden het leuk om de complete serie bij mij aan te treffen. Veel wederzijdse jeugdherinneringen waren er het gevolg van, vaak een opmaat voor gezellige vervolggesprekken.

Op 23 januari 2009 verloor ik in één klap álle boeken. De bibliotheek als kamer trouwens ook. Vlak voor de voordeur van ons huis was in de vroege ochtend een gemeentelijke waterleidingbuis gesprongen. Het fel spuitende water had in de loop van enkele uren het zand onder de fundamenten van de bibliotheek weggespoeld, met als gevolg dat op een zeker moment gevel en vloer in een formidabel gat in het trottoir verdwenen, met medeneming van vrijwel de gehele inboedel. De kamer op de etage boven de bibliotheek en een zoldergedeelte werden vervolgens uit voorzorg met bruut geweld afgebroken, zodat er van ons prachtige huis, dat ironisch genoeg twee wereldoorlogen had overleefd, een geschandaliseerd bouwwerk over bleef. Hoewel ik in de loop der tijd de betrekkelijkheid van materie heb leren begrijpen en aanvaarden, moet ik toegeven dat het verlies van vooral de boeken me bijzonder raakt, ook al zal ik met het geld dat de verzekering hopelijk gaat uitkeren, dezelfde titels opnieuw kunnen aanschaffen. Net vanwege de bijzondere status van veel exemplaren, zoals de Arendsoog-delen die Paul Nowee gesigneerd heeft en de delen waarin de herinneringen aan geliefde schenkers uit mijn jeugd stonden opgetekend, zijn nieuwe of antiquarische exemplaren niet zo maar adequate vervangers. Alleen juist de verloren gegane boeken waren de katalysators met behulp waarvan het me gemakkelijk viel memorabele, veelbetekenende of zo maar fijne momenten in mijn leven meer dan ééns te beleven. 

Want, terugdenkend aan mijn jeugd, heeft Arendsoog veel voor me betekend. Allereerst vanwege het speciale gevoel dat je als lezer kunt ervaren van het heerlijk teruggetrokken zijn in de wereld van een spannend boek en daarin onbereikbaar zijn. Drie uur ongeveer deed ik over een Arendsoog-deel, zalige uren, waarin er amper iets van de échte werkelijkheid tot me doordrong, zodat ik, na het boek dichtgeslagen te hebben, nog lang in de papieren werkelijkheid bleef. De herinnering aan dit gevoel koester ik sterk. Verder was Arendsoog een lichtend voorbeeld voor me: hij was eerlijk, behulpzaam, sterk, een doorzetter, slim, allemaal kwaliteiten die ik – toegegeven: vooral als het me zo uit kwam – probeerde na te streven. Ook Witte Veder was inspirerend: hij was vooral geduldig, onverstoorbaar, taai, een echte natuurmens. Beiden hebben me wellicht meer geleid naar het echte leven dan de catechismus die we op de lagere school van buiten moesten leren en waartegen ik gaandeweg een bijna fysieke aversie kreeg. 

Het is meer dan vijftig jaar geleden dat ik kennis maakte met Arendsoog. Ik heb alle boeken in m'n bezit gehad, ik heb ze allemaal ettelijke keren gelezen, ik heb ze allemaal verloren. Als er óóit een moment is waarop ik definitief een einde zou kunnen maken aan een romantisch verlangen naar vergleden tijden, omdat ik er te oud voor zou zijn of anderszins, dan is het wel nu. Maar de neiging om weer van voren af aan te beginnen met de serie is onmiskenbaar en krachtig aanwezig.

Vrienden, kennissen en collega's zijn een niet te veronachtzamen fac­tor hierbij. Degenen onder hen die minder gehecht zijn aan relicten uit hun jeugd en die vroeger óók Arendsoog hebben gelezen en toevallig nog ergens een deel hadden lig­gen, hebben me na de ramp genereus hun exemplaren geschonken, zodat ik een nieuw begin heb. Ik heb die vers verworven delen met zóveel genoegen herlezen, dat ik weet dat Arendsoog aan zijn comeback bezig is.

Voetnoot 1

Jack Nowee, zoon van de oudste broer van Paul Nowee en kleinkind van Jan Nowee, attendeerde mij op een onjuistheid: Arendsoogs burgerlijkestandsnaam is niet 'Bob' vanwege de aanwezigheid in het gezin Nowee van een zoon die zo heette, het is veel interessanter. Jack Nowee mailde me in januari 2014 het volgende:

Mijn tante (Thea, de peettante die in april jl. overleden is en de oudste was van de 14 kinderen) was erbij toen de laatste van de 14 kinderen (7 jongens en 7 meisjes), Bob, in 1946 geboren werd. Zij werkte toen al geruime tijd in de huishouding en had dat ‘geneuzel’ rond een geboorte al verscheidene keren meegemaakt en fungeerde dus ook als kraamzuster. Zij herinnerde zich, dat mijn opa zuchtend op het kraambed ging zitten en zijn bijbel dichtsloeg. De namen van de vorige 13 kinderen waren nl. steevast afleidingen van Katholieke Heiligen en Apostelen, namen die hij (ze) uit zijn bijbel haalde.
'Hoe moet dit kind nou weer heten?', vroeg hij zich af. 'Wat vind je ervan als we hem Bob noemen, de echte naam van Arendsoog?' vroeg hij toen aan mijn oma.
'Ik vind het een mooie naam,' antwoordde ze. En dat was dat!
Op zich opmerkelijk, want het 1e deel van de Arendsoogserie zou pas in 1947 zijn 2e druk beleven en deel 3 zou pas in 1949 bij Malmberg uitkomen. Zo zeer was hij blijkbaar al op deze naam gesteld geraakt. Al je deel 63 erbij pakt (als je dat alweer hebt) staat het als opdracht ook voorin: Dit boek is opgedragen aan mijn jongste broer Bob. Hij is vernoemd naar Bob Stanhope, de held uit de Arendsoogserie.


Eerder verschenen in In de voetsporen van Hollidee, jubileumuitgave van Boekhandel Berkers Boek & Kantoor te Asten, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan op 7 april 2011. Pagina 415-426.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now