ALEXANDER EN HET GIFMEISJE 

Inleiding


Vroeger heb ik in de geschiedenisles geleerd, dat Alexander de Grote (356-323 voor Christus) klein van postuur, maar groot van daadkracht was. Alles aan deze man zou bijzonder zijn geweest, zelfs de leeftijd waarop hij stierf: 33 jaar. Andere bijzonderheden, bijvoorbeeld over zijn verwekking, vertelde mijn toenmalige geschiedenisdocent zijn eersteklassers er uit kuisheidsoverwe-gingen - ik zat op een Rooms-Katholieke school - maar niet bij: hoe zijn moeder Olympias, eufemistisch gezegd, een wel erg temperamentvolle dame was met een voorliefde voor bezweringen en magische riten waarbij zij danste met slangen om hals en hoofd (zie o.a. Keller, 1913, pag. 286-287); hoe zij verleid en bevrucht werd door de tovenaar Neptanabus die daartoe de gedaante van een draak (draco = python) had aangenomen en dat zijn vader Philippus een wel erg onnozele hals moet zijn geweest dat hij dat niet in de gaten heeft gehad. Gelukkig heb ik van deze alleszins interessante gegevens later nog nota kunnen nemen.


■ Alexander en het gifmeisje
De kwaliteit van iemands prestaties kun je op twee manieren meten: je kunt op een landkaart bijvoorbeeld aangeven welke gebieden bij allemaal heeft veroverd; wie dit bij Alexander de Grote doet, moet aardig wat inkleuren op zo'n historische kaart. Een andere manier is kijken naar wat zijn tegenstanders allemaal hebben gedaan om hem van kant te maken. Ook dan kom je bij Alexander tot de conclusie, dat hij zijn bijnaam 'de Grote' volledig verdiend heeft. Een wel erg merkwaardige aanslag zoals die op Alexander gepleegd zou zijn, is in mijn ogen wel wat de koningin van India heeft gedaan om verovering van haar gebied te voorkomen: zij stuurde een beeldschoon meisje op hem af, dat vanaf haar geboorte gevoed was met vergif, en dat zich zodoende had kunnen ontwikkelen tot een ongekend moorddadig 'wapen.' Ik kwam het intrigerende relaas hiervan tegen in één van de mooie boeken van de Middeleeuwse auteur Jacob van Maerlant.
 

■ Alexanders geesten
Alexanders daden zijn van zo'n geweldige invloed geweest, en hebben eeuwenlang zó tot de verbeelding van de mensen gesproken, dat het in 1260 voor een liefhebber nog de moeite waard was om Jacob van Maerlant een Middelnederlandse vertaling te laten maken van een Frans voorbeeld van Alexander's avonturen. Maerlant noemde zijn vertaling Alexanders Geesten; het begrip 'geesten' komt van het Franse 'geste'en betekent in modern Nederlands zo veel als 'krijgsbedrijf,' ook wel 'heldendaad.' Maerlants vertaling van Alexanders heldendaden in het Middelnederlands is één van de vele versies; er zijn er talloos veel meer in nogal wat talen. Welnu, de aanslag die wellicht ook andere herpetologen zal interesseren, beschrijft Maerlant in het eerste deel van zijn 'biografie' van Alexander de Grote. Ik laat het lange stuk Middelnederlands maar achterwege en volsta met het geven van de vertaling (Alexanders Geesten, 1, 1150-1180): 

Niet lang daarna zond de koningin van India [Alexanderl een hoofse en vrije (d.w.z. niet-horige) maagd die zo volmaakt van lijf en leden was, dat men in die tijd haars gelijke niet gevonden zou kunnen hebben. Ze was voorwaar zo knap, dat eenieder die haar met zijn ogen zag zei, dat niemand zo volmaakt was als zij. Bovendien was zij zo voortreffelijk, dat zij haar boodschap goed in het Grieks kon vertellen. Alexander werd op slag verliefd op haar en zou haar meteen tot zijn maîtresse hebben willen maken. Hij gaf zijn schildknaap opdracht haar vrij te laten. Toen Aristoteles dit zag, merkte hij wat op aan haar gedrag; en hij kwam er door een list achter - want hij was erg wijs - dat zij vanaf haar jeugd tot nu toe was grootgebracht met slangen en vergif. Hij attendeerde de koning daarop en liet hem overduidelijk zien, dat niemand zo sterk kon zijn, of hij zou, als hij het met haar te doen kreeg, vóór het negende uur dood zijn. Dus zou de koning dood zijn geweest, als zijn leermeester het niet had voorkomen.
Alexander heeft duidelijk het temperament van zijn moeder geërfd: nauwelijks heeft hij het knappe meisje gezien, of zijn liefdesbrand moet geblust worden. Dat zou hem deze keer niet glad hebben gezeten: het meisje zou hem vergiftigd hebben.


■ Vragen
Hoewel Maerlant nog duizenden versregels meer vertelt over Alexander, houdt hij het, jammer genoeg voor herpetologen, voor wat betreft deze historie voor gezien. We zouden echter graag meer willen weten over het gifmeisje: wat heeft ze precies als voedsel gehad, op welke wijze zou de vergiftiging van Alexander precies hebben plaatsgevonden? Hoe kwam Aristoteles, de grootste der wijsgeren, er precies achter dat het meisje levensgevaarlijk was voor zijn pupil? Wat is er later met het meisje gebeurd? 

De antwoorden moeten uit verschillende bewerkingen en vertalingen van de Alexanderstof gehaald worden. Gelukkig is deze verzamelende arbeid al in 1893 verricht door de Duitse geleerde Wilhelm Hertz. In het navolgende maak ik dankbaar gebruik van zijn gegevens. Zo zegt één van de versies, dat het vrouwelijke cadeau aan Alexander hem alleen al met haar adem zou kunnen doden. Haar uitsluitend giftig voedsel zou haar daartoe in staat gesteld hebben. Ook haar blik had eenzelfde uitwerking. De bedoeling van de koningin van India was, dat alleen al het zien van dit beeldschone kind Alexander zou doden. Het meisje vertoont zo aardig wat overeenkomsten met de in Antieke tijden en Middeleeuwen zo gevreesde basiliscus (zie Van der Voort, 1993, pag. 42-55). Aristoteles kon deze bedreiging alleen afwenden door zijn heer een speciaal kruid in de mond te geven. De naam van het kruid is niet overgeleverd. 
Een andere versie verhaalt hoe het meisje haar entree maakte, toen Alexander aan tafel zat. Zij was zo onbeschrijflijk mooi, dat Alexander zijn ogen niet van haar kon afwenden. Dat zou een zekere dood voor hem betekend hebben. Gelukkig vroeg Aristoteles zijn heer of hij hem even wilde volgen en onttrok de koning daarmee aan de dodelijke blik. Hij vertelde Alexander, dat het meisje vanaf haar geboorte met addervlees was gevoed en daardoor dodelijke kracht had gekregen.

De opmerkingen van Aristoteles werden uiteraard onderzocht. Vroeger deed men dat als volgt: Alexander beval een ter dood veroordeelde man (die moeten er, getuige andere voorbeelden, in groten getale zijn geweest vroeger) voor hem te leiden. Hij liet de man door het meisje bijten, waarna deze prompt stierf. In een andere versie is enkel een kus van het meisje voor een terdoodveroordeelde voldoende voor eenzelfde resultaat. Quod erat demonstrandum. In een andere variant is het gifmeisje één van de personen die aan Alexander geschonken worden als teken van onderwerping: samen met vier andere beeldschone meisjes en slaven, wordt ze, verleidelijk opgesmukt, naar Alexander gestuurd. Deze laatste - hij heeft immers de zinnelijkheid van zijn moeder geërfd - wil de allermooiste meteen in zijn armen nemen, wat Socrates en Aristoteles (de eerste was de leermeester van de tweede en beiden waren volgens deze versie blijkbaar in dienst van Alexander) weten te verhinderen. Twee opgetrommelde slaven sterven direct, nadat ze de jongedame gekust hebben. Hetzelfde gebeurt met honden en paarden die ze aanraakt. Alexander laat het kind direct onthoofden en het lijk ver van de mensen verbranden. In de loop van de avond stierven er nog een hoop ridders die er niet in waren geslaagd hun libido te temmen en die toegegeven hadden aan hun verlangen het meisje te kussen, voordat ze tot Alexander toegelaten werd. 

Volgens sommige filosofen zou het werkzame vergif napellus (zie Bijlage, pag. 114 -zie ook Thomasset, 1982, pag. 89 e.v.) zijn geweest. Dit vergif is er de oorzaak van, dat het meisje in een andere versie door de mand valt als moordenares: aan tafel laat zij alle spijzen staan en vraagt als voedsel napellus. Voor Aristotiles is dit een duidelijk teken. Hij observeert haar en ziet het gif als het ware uit haar ogen komen. Hij raadt zijn vorst aan de nacht niet met haar door te brengen, maar dat aan anderen over te laten. Nou, liefhebbers zijn er genoeg. Ze liggen de volgende mogen echter allen dood op bed. 

Interessant is de inhoud van een verhaal waarin nader ingegaan wordt op de geboorte en opvoeding van het gifmeisje. In een land waar zulke grote slangen voorkwamen dat een hert door hen verslonden kon worden (de Antieke en Middeleeuwse 'boa' was zo'n slang bijvoorbeeld - zie Van der Voort, 1993, pag. 56-62), heeft een koningin een pasgeboren meisjesbaby in een slangenei gestopt. Eieren van reuzenslangen hadden in die tijd een inhoud van een schepel, ±: 1 decaliter, dus dat moet geen probleem zijn geweest! Ze laat de slangenmoeder haar eieren uitbroeden en het meisje wordt ten tweede male geboren, samen met haar slangenbroertjes en -zusjes. De moeder voedert ook háár met slangenkost. Het kind kan niet spreken, maar sist enkel. Als ze van haar slangenmoeder op eigen benen moet staan, laat de koningin haar in het paleis in een kooi stoppen. Daar leert ze het meisje spreken en gewoon voedsel accepteren. 

Alexander krijgt dit kind jaren later aangeboden, maar opnieuw is het Aristoteles die in het cadeau de aard van slangen ontdekt en zijn meester waarschuwt. Aristoteles voert dan een slimme proef uit om Alexander van zijn gelijk te overtuigen. Hij laat een emmer dictam (zie Bijlage, pag. 114) verpulveren en met het vrijgekomen sap trekt bij een cirkel om een vat waaronder een gevaarlijke slang zit. Als het vat omhoog wordt getild en de slang vrijkomt, kan zij slechts langs de getrokken cirkel kruipen en niet erbuiten komen. Onophoudelijk moet ze verderkruipen tot ze uiteindelijk sterft. Ook het gifmeisje wordt met twee andere meisjes in de kring gezet en als Alexander hen beveelt naar hem toe te komen, kunnen de twee normale meisjes dat wel, maar het gifmeisje niet. Zij zoekt wanhopig naar een uitgang in de kring en sterft uiteindelijk op dezelfde wijze als de slang voor haar. 

Talrijk zijn de voorbeelden van varianten op dit thema: de blik van het meisje zou even giftig zijn als die van de basiliscus, zelfs haar zweet zou giftig zijn en in de geschiedenis laat zij een spoor van slachtoffers na.
 

■ Dankbetuiging
Mijn dank gaat uit naar het personeel van de Openbare Bibliotheek in mijn woonplaats Asten, dat erin is geslaagd in het buitenland microfilms te bemachtigen van het kostbare boek van Hertz. 


■ Bijlage
Aconitum napellus is monnikskap of duivelskruid. Het aconitine is een sterk werkzaam alkaloïde dat dodelijke vergiftigingen kan veroorzaken (Van Hellemont, pag. 14). 
Dictamnus albus bevat dictamnine dat hartstilstand kan veroorzaken (Van Hellemont, pag. 203).
 

■ Literatuur
Hellemont, J. van, 1988. Fytotherapeutisch compendium. Utrecht. 
Hertz, W., 1893. Die Sage vom Giftmädchen. München. Aus den Abhandlungen der k. hayer. Akademie der Wiss. 1. CL. XX. Bd. I Abth. 
Keimer, L., 1947. Histoires de Serpents dans l'Egypte ancienne el moderne. Caire. 
Maerlant, Jacob van, 1882. Alexanders Geesten. Opnieuw uitgegeven door dr. Johannes Franck. Leiden. 
Keller, 0., 1909-1913. Die antike Tierwelt. 2 delen. Leipzig 
Penzer, N., 1952. Poison-damsels and other essays in folklore and anthropology. London. 
Tbomasset, Cl., 1982. Commentaire du dialogue de Placides et Timéo. Genève. 
Voort, M. van der, 1993. Van serpenten met venine. Jacob van Maerlant's boek over slangen hertaald en van herpetologisch commentaar voorzien. Hilversum. 

Eerder verschenen in Litteratura Serpentium 15, 1995, 110-114.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now