ONVERWACHTE ANTWOORDEN


■ Zelden geef ik zo graag toe me vergist te hebben als nu! In D’n Uytbeyndel 86 verzuchtte ik dat het me niet alleen speet dat ik mijn grootmoeder van vaders kant nooit heb gekend, maar dat ik zelfs helemaal niets van haar afwist; ik betwijfelde of er nog mensen zouden leven die me iets over haar zouden kunnen vertellen… Hoe onterecht, bleek al gauw!


Zo kreeg ik kort na verschijning van D’n Uytbeyndel al een telefoontje van Ria Peters (87): zij had niet alleen mijn grootmoeder Hanneke – zoals ze werd genoemd en niet Johanna, zoals ik dacht – nog gekend, maar ook mijn vader en diens broers en zussen. Ria had ervoor gezorgd dat op de middag waarop we elkaar zouden treffen ook Frans van de Weijer (85) aanwezig was. Wat een overdonderende ontmoeting is dat geworden! Ik kreeg van Ed van de Kerkhof de tip om eens met Henk en Cis Goossens-de Vet te gaan praten. Hij is van 1926, zij van 1928, en samen bleken ze een overvloed aan informatie naar boven te kunnen halen. Cis was bovendien een klasgenootje van de jongste zus van mijn vader, Nelly, geweest. Fien van den Eijnden-van Horik, van mijn generatie – kan mijn grootmoeder dan ook niet gekend hebben – was toevallig bezig om het familiearchief te ordenen, en mailde me dat ze interessante zaken voor me was tegengekomen. Pieter Koolen stuurde me meteen een kwartierstaat van opa Cor en oma Hanneke.


Ik had er helemaal niet aan gedacht dat er nog steeds ijzersterke Deurnenaren zouden kunnen leven die me nog van alles over mijn familie zouden kunnen vertellen. Deze kostbare mensen hebben me met een warme vanzelfsprekendheid ontvangen en me met graagte deelgenoot gemaakt van hun herinneringen aan mijn familie. Ik ben hun daar erg dankbaar voor.


Uit al die gesprekken is me veel duidelijk geworden, over niet alleen mijn grootmoeder, maar ook over mijn opa Cor en de broers en zussen van mijn vader. Daarbij is het veelbetekenend voor de persoonlijkheid van mijn oma en voor de positie die zij in het gezin innam, dat alle gesprekspartners hun herinneringen weliswaar met haar begonnen, maar dat ze na een paar trefwoorden of een enkele anekdote, al snel overstapten op een ander familielid, of, heel associatief, op een vriendje, vriendinnetje, een gebeurtenis…


Mijn oma woonde vóór haar huwelijk in een boerderij bij het station. Het was een ‘klein boerenvrouwke’, zo typeerde Frans van de Weijer haar. Ze blijkt een bescheiden mensje te zijn geweest, dat voor de buitenwereld volledig in de schaduw van haar flamboyante echtgenoot heeft geleefd (zie foto 1). Over haar rol in het gezin binnenshuis kon nie-mand me duidelijkheid geven: niemand kon zich herinneren ooit in huize Van der Voort binnen te zijn geweest. Je kwam na school je vriendinnetje ophalen bij haar thuis zonder er binnen te gaan, en bleef vervolgens buiten spelen. Grotere tegenpolen dan mijn grootvader en groot-moeder zouden moeilijk denkbaar zijn geweest, begreep ik van Ria, die tot op de dag van vandaag de vrouwenzaak een warm hart toedraagt en in mijn oma één van de vele slachtoffers ziet van het toentertijd vanzelfsprekende patriar-chaat voor wie de vrouwenemancipatie generaties te laat zou komen.


Het staat Cis Goossens nog altijd fris voor de geest, dat ze de moeder van haar vriendinnetje Nelly altijd in de voordeur van haar huis zag staan, gekleed in een fluwe-len jurk, die mijn opa beschilderd had met veel groen en goud. Als ze haar hand er voorzichtig over liet gaan, voelde hij wat ruw aan (‘Ze zal natuurlijk ook wel andere jurken hebben gehad, maar in mijn herinnering zie ik haar alleen maar in deze jurk’). Dit was niet het enige bizarre voorwerp dat opa Cor beschilderde. Cis vervolgde met de anekdote dat ze als kind, samen met Nelly, mijn tante, op de fiets in Horst asperges moest gaan halen. Degene die op de bagagedrager moest zitten, kreeg, om een houten achterwerk te vermijden, een kussentje om op te zitten. Maar omdat mijn opa dat kussentje ook beschilderd had, veroorzaakte de hard geworden verf na verloop van tijd toch enig ongerief aan het zitvlees. Cis praat nog met spijt over het raam in het bovenlicht van huize Van der Voort aan de Helmondseweg, waarop mijn grootvader een landschap had geschilderd. Het huis is al een jaar of vijftien verdwenen, niemand weet waar het raam is gebleven.


Maar u ziet het, het perspectief is inmiddels heel geleidelijk verschoven naar andere familieleden dan oma Hanneke: naar mijn grootvader, die door houding en kledij – lange, wijde jas om de schouders, grote flambard op het hoofd, martiale snor – een indrukwekkende verschijning in de Deurnese gemeenschap moet zijn geweest, die hem de bijnaam ‘Napoleon’ opleverde, wist Josée van der Loo-Peerbooms me te ver-tellen, toen ik haar toevallig trof tijdens de aftrap van het Toon Kortoomsjaar in Griendtsveen. En al snel ging het over mijn tante Zus (Alouisia), die té modern was voor het Deurne van toen, en die met modieuze kleren, nagellak en lipstick sterk afstak bij het ‘ander vrouwvolk’. En ook over mijn oom Frans, die samen met vermoedelijk nogal wat andere Deurnenaren, bij Daf heeft gewerkt en die, net als zijn vader en zijn oudste broer, artistieke aspiraties had, heb ik het nodige gehoord.


Helaas is mijn vader, die van 1914 was en de oudste van de broers en zussen, net te oud geweest voor de generatie met wie ik heb gesproken om enige herinnering achtergelaten te hebben. Hij ging al jong naar internaat Eikenburg in Eindhoven en daarna naar het Institut supérieur de Peinture de Bruxelles. Toen hij daar eenmaal was afgezwaaid, zal hij vaker in Frankrijk dan in Deurne te vinden zijn geweest. Ook over mijn heeroom, Harrie van der Voort, is het stil gebleven. Die was net als mijn vader naar Eikenburg gegaan en trad, met dispensatie van de paus, al op zestienjarige leeftijd in bij de franciscanen; hij zal evenmin vaak in Deurne zijn geweest.


Van een heel andere orde was het gesprek met Fien van den Eijnden-van Horik. Van haar geen herinneringen aan mijn grootouders, vader, ooms en tantes, maar wel veel interessant foto- en brievenmateriaal. Fiens grootvader was een broer van mijn oma Hanneke, en uit het familiearchief dat ze aan het ordenen was, kwam een foto tevoorschijn waarop mijn grootouders te vinden zijn: de foto die gemaakt is bij het huwelijk van haar ouders op 23 oktober 1943 laat helemaal links het echtpaar Van der Voort-van Horik zien (foto 2). Mijn opa Cor had een broer die missionaris op Borneo is geweest en wiens kloosternaam Honoratus was. Fien heeft me brieven van hem ter hand gesteld, die hij in 1913, 1915 en 1916 naar familieleden heeft gestuurd. Toevallig zit er in mijn eigen familiearchief een foto van een baardig heerschap in habijt (zie foto 3), van wie op de achterkant, in het handschrift van mijn moeder, verteld wordt dat hij een broer van opa Cor is, dus een oom van mijn vader. Ineens is er een kleine puzzel compleet geraakt!


Een onverwachte ontdekking deed ik verrassend genoeg onlangs op de zolder van mijn huis in Frankrijk, waar nog steeds dozen staan waarvan ik de inhoud niet ken. Bij het openen van één van die verrassingspakketten kwamen er drie foto’s van groot formaat tevoorschijn. Ze zijn onmiskenbaar vele tientallen jaren geleden gemaakt, in één geval misschien wel bijna honderd jaar, want op eentje poseert mijn vader, samen met zijn broertje Harrie; hij lijkt er niet ouder op dan een jaar of vijf (zie foto 4). Dat is meteen de ontroerendste foto, hoewel ik ook erg blij ben met het exemplaar van opa Cor en oma Hanneke, waarop de pose van beiden duidelijk maakt hoe de verhoudingen tussen hen moeten zijn geweest!


Het is niet veel, wat ik wijzer geworden, maar zoveel meer dan de onwetendheid waarin ik een paar maanden geleden nog verkeerde. Hoe dan ook, ik prijs het moment dat ik het schilderij van Hanneke van Horik, geschilderd door Harry Maas in 1936, op enig moment heb schoongemaakt en opgehangen op een prominente plaats in mijn huis in Nesle; evenals het moment waarop ik ben gaan zitten om de melancholische mijmering op te schrijven die op de valreep kon dienen als bladvulling in D’n Uytbeyndel 86; en zeker ook prijs ik het moment waarop ik de bijzondere ontmoe-tingen mocht hebben met de helderen van geest die de generatiegenoten van mijn ooms en tantes waren, en die daardoor mijn oma Hanneke levendiger voor me hebben gemaakt dan ze ooit is geweest.


Nesle, 27 maart 2016.

Foto 1. Cor van der Voort en Hanneke van der Voort-van Horik. Ongedateerde foto van een onbekende fotograaf. Mijn grootvader was, behalve (kunst)schilder, zelf ook fotograaf. Heeft hij deze foto wellicht zelf gemaakt? Was er indertijd al fotoapparatuur met een zelfontspanner?

Foto 2. Huwelijk van de ouders van Fien van den Eijnden-van Horik op 23 oktober 1943, met helemaal links staande, het echtpaar Van der Voort-van Horik.

Foto 3. Broeder Honoratus, missionaris op Borneo, broer van Cor van der Voort.

Foto 4. Mijn vader, Sjef van der Voort (zittend op de leuning), met zijn broer Harrie, de latere franciscaan Sigebertus. Mijn vader zal ± 5, 6 jaar zijn. De foto dateert dan ook van rond 1920. Is-ie gemaakt door mijn grootvader?

Foto 4. Mijn vader, Sjef van der Voort (zittend op de leuning), met zijn broer Harrie, de latere franciscaan Sigebertus. Mijn vader zal ± 5, 6 jaar zijn. De foto dateert dan ook van rond 1920. Is-ie gemaakt door mijn grootvader?

Foto 4. Mijn vader, Sjef van der Voort (zittend op de leuning), met zijn broer Harrie, de latere franciscaan Sigebertus. Mijn vader zal ± 5, 6 jaar zijn. De foto dateert dan ook van rond 1920. Is-ie gemaakt door mijn grootvader?

Afbeelding 5. Het adres van Broeder Honoratus, broer van Cor van der Voort, zwager van Hanneke van Horik op Borneo. Uit het familiearchief van Fien van den Eijnden-van Horik.

Afbeelding 6. Cor van der Voort. Het is me onbekend van wanneer deze foto dateert en wie hem heeft gemaakt.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now